ECLI:NL:CRVB:2006:AX8395
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- G. van der Wiel
- F.J.L. Pennings
- Rechtspraak.nl
Beoordeling juiste berekening van het dagloon bij WW-uitkering na ontslag
Betrokkene was tot 1 maart 2002 werkzaam voor de Stichting en werkte daarna minder uren tot 1 juli 2002, waarna het dienstverband geheel werd beëindigd. Appellant kende betrokkene op 1 maart 2002 een WW-uitkering toe met een dagloon van €135,91. Per 1 juli 2002 werd een nieuwe WW-uitkering toegekend met een lager dagloon van €71,42. Betrokkene begon in januari 2003 bij een andere werkgever met een lager salaris en werd per 1 januari 2004 weer volledig werkloos, waarna een WW-uitkering werd toegekend met het geïndexeerde dagloon van 1 maart 2002 (€142,47).
De rechtbank oordeelde dat er sprake was van twee primaire ontslagen en vernietigde het besluit van appellant. De Centrale Raad van Beroep stelt echter vast dat volgens artikel 17 van Pro de Dagloonregels IWS slechts één primair ontslag geldt, namelijk dat van 1 maart 2002, en dat het dagloon correct is vastgesteld op basis van het geïndexeerde dagloon van dat ontslag.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van appellant ongegrond. De Raad accepteert de juistheid van het vastgestelde dagloon en wijst erop dat een herziening van het dagloon momenteel wordt onderzocht, maar dat dit de huidige beoordeling niet beïnvloedt.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het dagloon is terecht berekend op basis van het geïndexeerde dagloon vanaf 1 maart 2002.