ECLI:NL:CRVB:2006:AX8450

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 februari 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03-2728 WVG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.G.M. Simons
  • M.I. ’t Hooft
  • G.M.T. Berkel-Kikkert
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WvgArt. 1.2 Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Waalwijk
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering financiële tegemoetkoming woningaanpassing op grond van goedkoopst adequate voorziening

Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Breda inzake de weigering van de gemeente Waalwijk om een financiële tegemoetkoming te verlenen voor woningaanpassing. De rechtbank had het beroep van appellant deels gegrond verklaard, maar de weigering van de tegemoetkoming voor woningaanpassing ongegrond verklaard.

De Raad verwijst naar de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de gemeentelijke Verordening voorzieningen gehandicapten, waarin is bepaald dat voorzieningen slechts worden toegekend indien deze de goedkoopst adequate voorziening vormen. De Raad oordeelt dat de gemeente in redelijkheid mocht aannemen dat de voorgestelde aanpassing, bestaande uit het bouwen van een nieuwe slaapkamer en badkamer of het vergroten van de bestaande badkamer, niet de goedkoopst adequate voorziening is.

Daarnaast heeft appellant door het slopen van de oude badkamer de gemeente de mogelijkheid ontnomen om de noodzakelijkheid en omvang van de aanpassing te beoordelen, waardoor de kosten voor risico van appellant komen. De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van de financiële tegemoetkoming voor woningaanpassing omdat de voorgestelde voorziening niet de goedkoopst adequate is.

Uitspraak

03/2728 WVG
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Bestuurscommissie Sociale Voorzieningen van de gemeente Waalwijk, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 april 2003, reg.nr. 02/986 WVG.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief, ontvangen op 7 december 2005, heeft appellant het hoger beroep - onder toezending van enkele foto’s - nader toegelicht.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 21 december 2005, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en de toepasselijke algemeen verbindende voorschriften verwijst de Raad, gelet op de inhoud van de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover hier van belang - het beroep van appellant tegen het besluit op bezwaar van 10 april 2002 gegrond verklaard voor zover dit betrekking heeft op de eerder door gedaagde aan appellant toegekende verhuiskostenvergoeding, en ongegrond voor zover dit betrekking heeft op de weigering van gedaagde om aan appellant een financiële tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing toe te kennen. De rechtbank heeft tevens bepaald dat het door appellant betaalde griffierecht dient te worden vergoed.
Het hoger beroep van appellant heeft slechts betrekking op de (gedeeltelijke) ongegrondverklaring van het beroep met betrekking tot de weigering van een financiële tegemoetkoming. Nu gedaagde - zelf - geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de (gedeeltelijke) gegrondverklaring van het beroep met betrekking tot de verhuiskostenvergoeding, zal de Raad aan de stellingen van gedaagde die daarop betrekking hebben voorbijgaan.
In de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) is aan de gemeentebesturen opgedragen om bij verordening regels vast te stellen ten behoeve van de verlening aan in de gemeente wonende gehandicapten van voorzieningen, waaronder woonvoorzieningen, die verantwoord zijn in de zin van artikel 3 van Pro de Wvg. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad staat het een gemeentebestuur daarbij vrij om bij de verstrekking van woonvoorzieningen in het kader van de Wvg uit te gaan van de goedkoopst adequate voorziening. Dit uitgangspunt is ook neergelegd in artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Waalwijk (Verordening). Daarin is bepaald dat een voorziening slechts wordt toegekend voor zover deze, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt.
Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde in redelijkheid het standpunt kunnen innemen dat de door appellant voorgestane aanpassing van zijn nieuw betrokken woning, bestaande uit hetzij het bouwen van een nieuwe slaapkamer en een badkamer op de begane grond, hetzij het vergroten van de bestaande badkamer op de begane grond, onder de gegeven omstandigheden niet de goedkoopst adequate voorziening is ter opheffing of vermindering van de beperkingen die appellant ten gevolge van ziekte of gebrek bij het normale gebruik van zijn vorige woning ondervond. Hierbij heeft de Raad betrokken dat appellant door de oude badkamer te slopen gedaagde de mogelijkheid heeft ontnomen om te beoordelen of, en zo ja in welke omvang, de voorgenomen woningaanpassing noodzakelijk was. De daaruit voortvloeiende onduidelijkheid over de omvang van de kosten van de noodzakelijke woningaanpassing behoort voor risico van appellant te komen. De weigering van gedaagde is, gelet op het bepaalde in artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Verordening, derhalve rechtmatig.
De aangevallen uitspraak komt, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. M.I. ’t Hooft en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van R.C. Visser als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2006.
(get.) Th.G.M. Simons.
(get.) R.C. Visser.