ECLI:NL:CRVB:2006:AX8454

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2143 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • J.Th. Wolleswinkel
  • A.A.M. Mollee
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging voorwaardelijk ontslag wegens plichtsverzuim door bellen tijdens dienst

Appellant, een buschauffeur bij het Gemeentevervoerbedrijf, heeft tijdens zijn dienst op 9 april 2003 telefonisch contact gehad via een 'handsfree' apparaat, wat volgens de bedrijfsregels strikt verboden is. Naar aanleiding hiervan legde het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam hem een disciplinaire straf op: voorwaardelijk ontslag, waarbij het ontslag pas wordt uitgevoerd bij herhaling binnen twee jaar.

Appellant stelde dat de opgelegde straf onevenredig was en dat de rechtbank onvoldoende had getoetst of de belangenafweging en evenredigheid correct waren toegepast, mede met een beroep op artikel 6 EVRM Pro. De rechtbank had echter geoordeeld dat sprake was van ernstig plichtsverzuim en dat de sanctie passend was gezien de waarschuwingen en het strenge toezicht.

De Centrale Raad van Beroep verwierp het beroep op artikel 6 EVRM Pro en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelde dat het College terecht zwaar heeft ingezet op naleving van de regels vanwege verkeersveiligheid en klantenservice, en dat de sanctie niet onevenredig was. De beslissing tot voorwaardelijk ontslag werd als deugdelijk gemotiveerd beschouwd en bleef gehandhaafd.

Uitkomst: Het voorwaardelijk ontslag wegens plichtsverzuim wordt bevestigd en gehandhaafd.

Uitspraak

05/2143 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 februari 2005, 04/76 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 1 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Namens het College is een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2006. Zoals bericht, is appellant niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.R. van Waveren Hogervorst-Vuurboom en A.M.E.A. van Mil, beiden werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten omstandigheden.
1.1. Appellant heeft als buschauffeur van het Gemeentevervoerbedrijf (GVB) tijdens zijn dienstuitvoering op 9 april 2003 met zijn mobiele telefoon - ‘handsfree’- getelefoneerd. Op grond van de bedrijfsregels van het GVB is het gebruik van de mobiele telefoon tijdens de dienstuitvoering streng verboden. Gedaagde heeft appellant wegens de geconstateerde en op zichzelf niet betwiste overtreding de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd, in die zin dat dit ontslag slechts ten uitvoer wordt gelegd indien betrokkene binnen een periode van twee jaar zich opnieuw schuldig maakt aan soortgelijk of enig ander ernstig plichtsverzuim. Na bezwaar heeft gedaagde de straf gehandhaafd bij het bestreden besluit van
4 december 2003.
2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat appellant de bedrijfsregels heeft overtreden door te telefoneren tijdens de busrit en dat er dus sprake is van plichtsverzuim. Daaraan doet niet af dat appellant uit automatisme zou hebben gehandeld en slechts ‘handsfree’ belde. De rechtbank achtte de opgelegde straf niet onevenredig omdat sprake is van ernstig plichtsverzuim en appellant wist dat gedaagde streng op handhaving van de bedrijfsregels toezag en ervoor gewaarschuwd had dat overtreding kan leiden tot strafontslag.
3. Namens appellant is aangevoerd dat de rechtbank niet is overgegaan tot een volledige toetsing van de door gedaagde gemaakte afweging van belangen en onvoldoende heeft beoordeeld of evenredigheid bestaat tussen de ernst van het plichtsverzuim en de sanctie. In dit verband is gewezen op artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar appellants opvatting hanteert gedaagde in de praktijk slechts twee sancties, te weten voorwaardelijk en onvoorwaardelijk ontslag, terwijl het toepasselijke ambtenarenreglement ook minder ingrijpende sanctiemaatregelen kent. Appellant acht de opgelegde sanctie onevenredig zwaar.
4. Namens gedaagde is gemotiveerd verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.
5. Naar aanleiding van deze standpunten van partijen overweegt de Raad verder als volgt.
5.1. Onder verwijzing naar zijn vaste rechtspraak (CRvB 28 april 1994, TAR 1994, 143) verwerpt de Raad het beroep van appellant op artikel 6 van Pro het EVRM. De rechtbank heeft de juiste maatstaf gehanteerd, te weten of er geen onevenredigheid bestaat tussen de ernst van het plichtsverzuim en de opgelegde straf.
5.2. De Raad kan zich ook verenigen met het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van een onevenredig zware straf. Gedaagde mag uit een oogpunt van verkeersveiligheid en wettelijke regelgeving daaromtrent en uit een oogpunt van klantenservice groot belang hechten aan stipte naleving van de in dat verband vastgestelde (bedrijfs)regels. Appellant was bij brief van 21 februari 2003 op de hoogte gesteld van die aangescherpte regels, van het strenge toezicht op handhaving daarvan en van de mogelijkheid van strenge bestraffing van overtreding, waaronder met strafontslag. Gedaagde heeft mede in het licht daarvan een afweging gemaakt en zijn keuze voor de op één na zwaarste straf met verwijzing naar de omstandigheden van het specifieke geval deugdelijk gemotiveerd.
6. De aangevallen uitspraak moet daarom worden bevestigd.
7. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.D. van Dissel-Singhal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) A.D. van Dissel-Singhal.