ECLI:NL:CRVB:2006:AX8454
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.A.A.G. Vermeulen
- J.Th. Wolleswinkel
- A.A.M. Mollee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van voorwaardelijk ontslag van een buschauffeur wegens plichtsverzuim door gebruik van een mobiele telefoon tijdens dienst
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van een buschauffeur van het Gemeentevervoerbedrijf (GVB) die op 9 april 2003 tijdens zijn dienst met een mobiele telefoon heeft gebeld, wat in strijd is met de bedrijfsregels. De disciplinaire maatregel die door het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam is opgelegd, betreft voorwaardelijk ontslag. Dit ontslag wordt pas ten uitvoer gelegd als de chauffeur binnen twee jaar opnieuw een soortgelijk of ander ernstig plichtsverzuim pleegt. De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van de chauffeur tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard, waarbij werd overwogen dat de chauffeur de regels had overtreden en dat de opgelegde straf niet onevenredig was, gezien de ernst van het plichtsverzuim en het strenge toezicht op de naleving van de regels.
De chauffeur heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank niet volledig heeft getoetst of er een evenredigheid bestaat tussen de ernst van het plichtsverzuim en de opgelegde sanctie. Hij stelde dat het College in de praktijk slechts twee sancties hanteert, terwijl het ambtenarenreglement ook minder ingrijpende maatregelen kent. De Raad voor de Rechtspraak heeft het beroep van de chauffeur op artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens verworpen en bevestigd dat de rechtbank de juiste maatstaf heeft gehanteerd. De Raad oordeelt dat de opgelegde straf niet onevenredig zwaar is, gezien de noodzaak van naleving van de bedrijfsregels voor verkeersveiligheid en klantenservice.
De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, en er zijn geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep, waarbij de voorzitter en de leden de beslissing in het openbaar hebben uitgesproken op 1 juni 2006.