ECLI:NL:CRVB:2006:AX8477

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-106 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.C. van Sloten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 70 Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging voortzetting bijstandsverstrekking met arbeidsmarkttraject

Appellant ontvangt bijstand als alleenstaande ouder en is door het College van burgemeester en wethouders van Alkmaar verplicht gesteld deel te nemen aan een traject gericht op verbetering van zijn arbeidsmarktpositie. Het College heeft dit besluit genomen op 24 december 2003 en het bezwaar van appellant tegen dit besluit op 30 maart 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank Alkmaar heeft dit besluit bevestigd in haar uitspraak van 26 november 2004.

Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde onder meer aan dat hem toezeggingen waren gedaan over het volgen van een chauffeursopleiding, een beroep op het vertrouwensbeginsel. De Centrale Raad van Beroep heeft dit beroep verworpen omdat niet is gebleken dat het College uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen heeft gedaan die rechtens te honoreren verwachtingen scheppen.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het College bij het vaststellen van het trajectplan redelijk heeft gehandeld en dat het plan gericht is op het vergroten van de arbeidsinschakelingsmogelijkheden van appellant. De Raad ziet geen reden om de proceskosten toe te wijzen en bevestigt de aangevallen uitspraak.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de voortzetting van bijstand met verplichting tot deelname aan het traject wordt bevestigd.

Uitspraak

05/106 NABW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 26 november 2004, 04/947 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar (hierna: College)
Datum uitspraak: 13 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2006. Appellant is verschenen, bijgestaan door
mr. P.P.J.L. Appelman, advocaat te Alkmaar. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door S. Groothuis, werkzaam bij de gemeente Alkmaar.
II. OVERWEGINGEN
Appellant ontvangt bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
Bij besluit van 24 december 2003 heeft het College besloten tot voortzetting van de bijstand, waarbij aan appellant de verplichting is opgelegd deel te nemen aan een traject. Het traject is opgenomen in een als bijlage bij het besluit gevoegd plan, dat gericht is op het verbeteren van de positie van appellant op de arbeidsmarkt.
Bij besluit van 30 maart 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 24 december 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 maart 2004 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen - samengevat weergegeven - dat het College bij zijn besluitvorming heeft gehandeld in overeen-stemming met het bepaalde in artikel 70, derde en vierde lid, van de Abw en het vigerende beleid.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad onderschrijft het hierboven weergegeven oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel rust. Niet gebleken is dat het College niet in redelijkheid heeft kunnen komen tot vaststelling van het in geding zijnde trajectplan nu dit, gezien de inhoud ervan, gericht is op vergroting van de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling van appellant.
Naar aanleiding van het beroep op het vertrouwensbeginsel, inhoudende dat aan appellant toezeggingen zijn gedaan met betrekking tot het volgen van een opleiding als chauffeur, overweegt de Raad dat dit beroep niet slaagt aangezien hem niet is gebleken dat er van de zijde van het College uitdrukkelijk, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan, op grond waarvan het College bij appellant in rechte te honoreren verwachtingen zou hebben gewekt.
Gezien het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Polderman-Eelderink als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) A.H. Polderman-Eelderink.