ECLI:NL:CRVB:2006:AX8495
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van vaststelling gedifferentieerde WAO-premies ondanks beroep op vertrouwensbeginsel
De zaak betreft hoger beroepen van appellante tegen uitspraken van de rechtbank Amsterdam die de vastgestelde gedifferentieerde premies voor de WAO over de jaren 2003, 2004 en 2005 handhaafden. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) had deze premies vastgesteld op respectievelijk 4,17%, 3,21% en 1,12%, mede gebaseerd op aan betrokkenen betaalde WAO-uitkeringen.
Appellante stelde dat het vertrouwensbeginsel werd geschonden en dat artikel 6 van Pro het Besluit premiedifferentiatie WAO niet van toepassing was omdat er geen sprake was van een onterecht of te hoog betaalde WAO-uitkering, maar slechts van een onjuiste toerekening. Tevens betoogde zij dat artikel 43a van de WAO ten onrechte niet was toegepast ten aanzien van een betrokkene.
De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin is geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt en dat bezwaren tegen toepassing van artikel 6 in Pro dit kader niet tot gegrondverklaring kunnen leiden. Gezien het feit dat dezelfde feiten en beroepsgronden aan de orde zijn, ziet de Raad geen reden voor een ander oordeel. De aangevallen uitspraken worden bevestigd en de hoger beroepen worden verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken en wijst de hoger beroepen af.