ECLI:NL:CRVB:2006:AX8499
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens niet-toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, die in 1999 wegens rugklachten arbeidsongeschikt werd verklaard en een WAO-uitkering ontving, zag deze uitkering in 2001 worden ingetrokken omdat hij weer geschikt werd geacht voor zijn werk. Op 12 april 2002 viel appellant opnieuw uit, waarna het UWV een beoordeling verrichtte. De verzekeringsarts concludeerde dat het arbeidsvermogen van appellant niet was afgenomen sinds de intrekking van de uitkering.
Het UWV weigerde daarom een nieuwe WAO-uitkering met verkorte wachttijd toe te kennen, omdat de arbeidsongeschiktheid niet dezelfde oorzaak had als de eerdere. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn beperkingen ernstiger waren dan aangenomen en dat hij niet meer fulltime kon werken. De Raad stelde vast dat alleen de vraag of het UWV terecht de verkorte wachttijd had geweigerd aan de orde was, en dat de eerdere intrekking niet ter discussie stond.
De Raad volgde het oordeel van de verzekeringsartsen dat er geen aanwijzingen waren dat de beperkingen waren toegenomen. Objectief-medische gegevens die dit zouden ondersteunen, ontbraken. De rechtbank had dit oordeel eerder bevestigd. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de geweigerde WAO-uitkering en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen arbeidsongeschiktheid.