ECLI:NL:CRVB:2006:AX8682

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-1296 OSV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
OSVBesluit indeling uitzendbedrijvenBesluit datumbeleid indelingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging indeling bedrijf bij sector Uitzendbedrijven per 1 januari 2001

Appellante is in beroep gekomen tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om haar bedrijf per 1 januari 2001 in te delen bij de sector Uitzendbedrijven. Verweerder handhaafde dit besluit na bezwaar. Appellante stelde dat de indeling reeds per 16 februari 1999 had moeten plaatsvinden.

De Raad beoordeelde het geschil aan de hand van de toen geldende OSV, het Besluit indeling uitzendbedrijven en het Besluit datumbeleid indelingen. Verweerder paste het beleid toe waarbij een wijziging van sectorindeling niet verder terugwerkend dan 1 januari van het kalenderjaar wordt doorgevoerd. Daarbij werd rekening gehouden met het feit dat appellante niet tijdig de wijziging had doorgegeven en niet verwijtbaar onjuist was ingedeeld.

De Raad vond de benadering van verweerder niet onjuist, onzorgvuldig of onredelijk. De Raad oordeelde dat de gevolgen van de gewijzigde arbeidsverhouding voor rekening van appellante komen. Ook vond de Raad geen bijzondere omstandigheden om de indeling eerder te laten ingaan dan 1 januari 2001.

Op grond hiervan verklaarde de Centrale Raad van Beroep het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de indeling per 1 januari 2001 gehandhaafd.

Uitspraak

05/1296 OSV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [woonplaats], (hierna: appellante),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: verweerder)
Datum uitspraak: 1 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellante is in beroep gekomen van het besluit van 31 oktober 2003 van verweerder (hierna: het besluit).
Verweerder heeft het ingenomen standpunt gehandhaafd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2006. Appellante heeft zich doen vertegenwoordigen door
[R.R. v. H.] en [J.F.C.M. K.], respectievelijk directeur en groepscontroller van de B.V., bijgestaan door
mr. P.M.T. Konings, advocaat te Tilburg. Verweerder heeft zich - zoals aangekondigd- niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de OSV, het Besluit indeling uitzendbedrijven en het Besluit datumbeleid indelingen zoals die luidden ten tijde hier van belang.
Bij het na bezwaar genomen besluit heeft verweerder de eerder genomen beslissing gehandhaafd om naar aanleiding van het verzoek van appellante van 16 november 2001 haar met ingang van 1 januari 2001 in te delen bij de sector Uitzendbedrijven, met de bedrijfstaknaam uitzendbedrijven 2b, nu -voor het grootste gedeelte- gewerkt werd met uitzendkrachten zonder uitzendbeding of met een beëindigd uitzendbeding.
Appellante handhaaft in beroep haar standpunt dat de desbetreffende indeling reeds per 16 februari 1999 had behoren plaats te vinden.
De Raad stelt vast dat verweerder overeenkomstig de toepasselijke beleidsregels en het door haar gevoerde beleid bij een verzoek als het onderhavige de wijziging van herindeling in een later jaar met geen verdergaande terugwerkende kracht doet plaatsvinden dan per 1 januari van dat kalenderjaar. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat appellante niet kon weten dat de wijziging van de aard van de arbeidsverhouding binnen een maand na peildatum moest worden doorgegeven en eveneens dat appellante niet verwijtbaar in een verkeerde sector was ingedeeld. Tevens is hierbij in aanmerking genomen dat de directie van appellante nog medio 2001 schriftelijk heeft verklaard dat het uitzendbeding wel van toepassing was. De Raad acht onder deze omstandigheden de benadering van verweerder om de gewijzigde herindeling niet verder terug te leggen dan op 1 januari 2001 noch onjuist noch onzorgvuldig of onredelijk. De Raad oordeelt dat de omstandigheid dat de aard van de arbeidsverhouding en de daarbij overeengekomen bedingen zich in de praktijk anders hebben ontwikkeld dan de directie van appellante zelf bekend was voor rekening van haar komt en niet op verweerder kan worden afgewenteld. De Raad ziet overigens evenmin zodanige bijzondere omstandigheden ontleend aan het Besluit datumbeleid indelingen om op een ander vroeger tijdstip van gewijzigde sectorindeling dan 1 januari 2001 uit te komen. Dat, naar appellante stelt, metterdaad eerder aan de criteria voor andere arbeidsverhoudingen zal zijn voldaan en dat alsdan meerkosten van een zelfde indeling behoren te worden ontlopen, kan als zodanig gezien ook de algemeenheid van die grief volgens de Raad niet hieronder worden gebracht.
Gelet op het vorenstaande kan het besluit van verweerder gedragen worden door de motivering welke hieraan is gegeven en kan het beroep van appellante dan ook niet slagen.
De Raad ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) S.W.H. Peeters.