ECLI:NL:CRVB:2006:AX8694

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3648 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61, tweede lid, Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tweede-generatie gelijkstelling WUV-uitkering

Appellant heeft in 1975 een aanvraag ingediend voor een WUV-uitkering, die in 1976 werd afgewezen omdat hij geen vervolging had ondergaan en geen gelijkstelling met vervolgde mogelijk was. In 2004 verzocht appellant opnieuw om gelijkstelling op basis van tweede-generatie oorlogsproblematiek, maar dit verzoek werd afgewezen op grond van artikel 61, tweede lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wet).

De Raad overwoog dat het beleid van verweerster sinds 1 januari 2002 bepaalt dat herziening alleen mogelijk is bij een aperte, verwijtbare beoordelingsfout in het eerdere besluit. Dit beleid geldt ook voor personen die voor de bevrijding zijn geboren. De Raad vond geen grond om het bestreden besluit te vernietigen, mede omdat de psychische klachten van appellant na de wetswijziging niet meer leiden tot gelijkstelling.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De Raad wees tevens een verzoek om vergoeding van proceskosten af op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door G.L.M.J. Stevens op 1 juni 2006.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van een WUV-uitkering op grond van tweede-generatie gelijkstelling wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

05/3648 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 1 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 27 april 2005, kenmerk JZ/R60/2005, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2006. Appellant is in persoon verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, geboren [in] 1944, heeft in juni 1975 bij de Uitkeringsraad, rechtsvoorganger van verweerster, een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering als vervolgde krachtens de Wet.
Bij besluit van 10 september 1976 is de aanvraag afgewezen op de grond dat appellant geen vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wet en dat er geen aanleiding bestaat appellant gelijk te stellen met de vervolgde aangezien de bij appellant bestaande ziekten of gebreken niet als gevolg van de oorlogsomstandigheden van de ouders zijn ontstaan.
Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt, zodat dit tussen partijen rechtens verbindend is geworden.
In augustus 2004 heeft appellant verweerster wederom verzocht om hem met name op grond van zogenoemde tweede-generatie oorlogsproblematiek gelijk te stellen met de vervolgde en hem als zodanig een periodieke uitkering op grond van de Wet toe te kennen. Bij besluit van 14 oktober 2004, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehand-haafd bij het thans bestreden besluit, heeft verweerster dat verzoek afgewezen op gronden ontleend aan artikel 61, tweede lid, van de Wet.
Ter beantwoording staat de vraag of, gelet op hetgeen door appellant in beroep is aangevoerd, het bestreden besluit in rechte kan standhouden. Die vraag beantwoordt de Raad op de hierna volgende gronden bevestigend.
Verweerster heeft het verzoek van appellant van augustus 2004 terecht aangemerkt als een verzoek om herziening van haar eerdere, hiervoor vermelde besluit van 10 september 1976, voorzover dit betrof de weigering om appellant op grond van zogenoemde tweede generatieproblematiek met de vervolgde gelijk te stellen.
De Raad neemt hierbij mede in aanmerking dat gelijkstelling op grond van (uitsluitend) die problematiek als gevolg van een wijziging van de Wet per 15 juli 1994 niet meer mogelijk is, terwijl het door verweerster nadien op dit punt nog gevoerde, begunstigende beleid ten aanzien van personen die vòòr de bevrijding werden geboren per 1 januari 2002 is beëindigd.
Ingevolge artikel 61, tweede lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen wil zeggen dat verweerster bij de beslissing op een verzoek om herziening een ruime beleidsvrijheid toekomt.
Dat brengt mee dat de Raad het bestreden besluit slechts met terughoudendheid kan toetsen.
Verweerster heeft in het kader van de haar bij artikel 61, tweede lid, van de Wet toegekende bevoegdheid beleid ontwikkeld, inhoudende dat gegeven de sluiting van de Wet voor personen die behoren tot de tweede generatie alleen dan aanleiding bestaat tot herziening over te gaan indien bij het nemen van het eerdere (afwijzende) besluit sprake is geweest van een aperte, verwijtbare beoordelingsfout. Deze maatstaf is voor appellant gaan gelden ingaande 1 januari 2002, met ingang van welke datum het bovengenoemde beleid ten aanzien van personen die vòòr de bevrijding zijn geboren werd beëindigd.
De Raad heeft al eerder geoordeeld dat verweerster gerechtigd is verzoeken om herziening als het onderhavige aan deze maatstaf te toetsen.
Voorts heeft de Raad in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanknopingspunt gevonden om de opvatting van verweerster dat in dit geval van zodanige fouten niet is gebleken, in rechte aan te tasten. De enkele stelling van appellant dat hij thans ook meer last heeft van psychische klachten die in verband staan met de gezinsomstandigheden van na de oorlog kan thans - na de wetswijziging zoals bovenvermeld - niet meer leiden tot gelijkstelling met de vervolgde. Derhalve kan niet worden gezegd dat het bestreden besluit de door de Raad te hanteren terughoudende toets niet kan doorstaan.
Dit betekent dat het beroep van appellant ongegrond verklaard moet worden.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten en beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door GL.M.J. Stevens. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) E. Heemsbergen.