ECLI:NL:CRVB:2006:AX8696

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4814 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering periodieke WUV-uitkering wegens onvoldoende invaliditeit door psychische klachten

Appellante, geboren in 1935 in voormalig Nederlands-Indië, vroeg in februari 2004 een periodieke uitkering aan op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Verweerster erkende appellante als vervolgde, maar weigerde de uitkering omdat de psychische klachten die voortvloeiden uit het omkomen van haar vader tijdens de oorlog niet leidden tot invaliditeit zoals vereist in artikel 7 van Pro de Wet.

Appellante stelde bezwaar en beroep in, maar de Raad oordeelde dat de medische adviezen, gebaseerd op een onderzoek van 12 oktober 2004, voldoende gemotiveerd waren. De klachten leidden wel tot enige beperkingen in sociaal functioneren, maar niet tot een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten, wat noodzakelijk is voor toekenning.

De Raad benadrukte dat de beoordeling van medische gevolgen van oorlogservaringen individueel is en dat het feit dat familieleden wel een uitkering ontvingen niet tot een ander oordeel leidt. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de weigering van de periodieke WUV-uitkering gehandhaafd.

Uitspraak

05/4814 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Indonesië) (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 1 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 23 juni 2005, kenmerk JZ/I/70/2005, ten aanzien van haar genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2006. Daar is appellante niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellante, geboren [in] 1935 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in februari 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering als vervolgde in de zin van de Wet alsmede enkele bijzondere voorzieningen.
Bij besluit van 30 december 2004 heeft verweerster appellante gelijkgesteld met de vervolgde in de zin van de Wet, doch haar - voorzover hier van belang - een periodieke uitkering ingevolge de Wet geweigerd op de grond dat appellante uit hoofde van de in verband met de oorlogsomstandigheden (het omkomen van haar vader) staande ziekten en gebreken - te weten psychische klachten - niet is geïnvalideerd als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de Wet. De oogklachten en gehoorklachten heeft verweerster niet aanvaard als staande in het door de Wet vereiste verband met de oorlogsomstandigheden van appellante. Het tegen dit besluit ingediende bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In dit geding staat gelet op hetgeen door appellante in beroep is aangevoerd, ter beantwoording de vraag of verweerster terecht heeft geweigerd aan appellante een periodieke uitkering toe te kennen. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt dienaangaande als volgt.
Om voor een periodieke uitkering ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet in aanmerking te komen moet bij de vervolgde of gelijkgestelde - zoals in casu appellante - sprake zijn van een buiten staat zijn om het in artikel 8 van Pro de Wet bepaalde grondslaginkomen te verwerven als gevolg van ziekten of gebreken, welke door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd. Bij personen die - zoals appellante - niet zijn aangewezen op inkomsten uit arbeid in beroep en bedrijf, hanteert verweerster hierbij de, door de Raad in vaste rechtspraak aanvaarde, maatstaf dat sprake moet zijn van een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten.
De Raad stelt vast dat het bestreden besluit in overeenstemming is met de adviezen van een tweetal geneeskundig adviseurs van de Pensioen- en Uitkeringsraad. Deze adviezen zijn vooral gebaseerd op het rapport d.d. 25 november 2004 dat een van deze adviseurs, de arts A.M. Koop heeft uitgebracht naar aanleiding van haar onderzoek van appellante op
12 oktober 2004. Uit dat onderzoek komt naar voren dat de psychische klachten van appellante die verband houden met het omkomen van haar vader tijdens de Japanse bezetting, wel hebben geleid tot enige beperkingen in het sociaal functioneren en in de aanpassing aan stressvolle omstandigheden, maar dat het algemene beeld niet zodanig is dat gesproken kan worden van een verminderd functioneren ten opzichte van leeftijdgenoten.
De Raad acht het bestreden besluit op grond van deze adviezen deugdelijk voorbereid en gemotiveerd. Nu geen medische gegevens die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zijn aangetroffen noch nader ingebracht, was verweerster gerechtigd bedoelde adviezen daaromtrent te volgen. Dat het medisch onderzoek van appellante op enigerlei wijze tekort is geschoten heeft de Raad voorts niet kunnen vaststellen.
De omstandigheid dat aan een zuster en broer van appellante wel uitkeringen op grond van de Wet zijn verleend kan niet tot een ander oordeel leiden. De beoordeling van de medische gevolgen van de oorlogservaringen is een individuele aangelegenheid, die ook bij leden van hetzelfde gezin tot een verschillende uitkomst kan leiden.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond en dient het ingestelde beroep ongegrond te worden verklaard.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) E. Heemsbergen.