ECLI:NL:CRVB:2006:AX8697
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hernieuwde aanvraag WUBO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten en blijvende invaliditeit
Appellante heeft in 1991 een aanvraag ingediend voor een uitkering krachtens de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (WUBO), gebaseerd op gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan de Bersiap-periode in het voormalige Nederlands-Indië. Deze aanvraag werd in 1992 afgewezen omdat geen sprake was van blijvende invaliditeit ten gevolge van de oorlogsgebeurtenissen. In 1994 vroeg zij om herziening, maar dit verzoek werd eveneens afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten.
In 2004 diende appellante opnieuw een verzoek in voor erkenning en uitkering, waarbij zij psychische en lichamelijke klachten aanvoerde. Verweerster handhaafde het eerdere standpunt dat er geen sprake is van blijvende invaliditeit door oorlogsgeweld, gesteund door medische adviezen en rapporten, waaronder een onderzoek in maart 2005.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het bestreden besluit deugdelijk is voorbereid en gemotiveerd. Er zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven het besluit te herzien. De medische gegevens tonen aan dat de psychische klachten niet tot beperkingen leiden en de lichamelijke klachten een andere, niet-oorloggerelateerde oorzaak hebben.
Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd. Tevens wordt geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de WUBO-uitkering wordt gehandhaafd.