ECLI:NL:CRVB:2006:AX8699

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4178 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 3 lid 2 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering erkenning als oorlogsgetroffene wegens ontbreken vervolging in de zin van de WUV

Appellant, geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als vervolgde en een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Hij stelde dat zijn vader krijgsgevangene was geweest en dat het gezin onder moeilijke omstandigheden de oorlogsjaren had doorgebracht, wat tot lichamelijke en psychische klachten bij hem zou hebben geleid.

Verweerster wees de aanvraag af omdat niet was vastgesteld dat appellant vervolging in de zin van artikel 2 van Pro de WUV had ondergaan. De Raad bevestigde dat appellant niet vrijheidsberoving had ondergaan zoals bedoeld in de Wet, noch dat de omstandigheden vergelijkbaar waren met vervolging. Ook de mogelijkheid tot gelijkstelling op grond van artikel 3, tweede lid, werd verworpen vanwege het ontbreken van omstandigheden die vergelijkbaar zijn met vervolging.

De Raad benadrukte dat een medisch-inhoudelijke beoordeling alleen aan de orde komt indien vaststaat dat sprake is van vervolging of gelijkstelling. Omdat dit niet het geval was, was een dergelijke beoordeling achterwege gelaten. De Raad oordeelde dat de beleidsvrijheid van verweerster discretionair is en dat het bestreden besluit terughoudend getoetst moet worden. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot erkenning als oorlogsgetroffene blijft in stand.

Uitspraak

05/4178 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (U.S.A.) (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 1 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 27 april 2005, kenmerk JZ/W60/2005, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2006. Daar is eiser niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, geboren op 26 december 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in augustus 2004 bij verweerster een aanvraag ingediend om als vervolgde in aanmerking te komen voor een periodieke uitkering en een voorziening. In dit verband heeft appellant gesteld dat zijn vader tijdens de Japanse bezetting krijgsgevangene is geweest en dat de rest van het (grote) gezin onder moeilijke omstandigheden de oorlogsjaren heeft doorgemaakt, aanvankelijk in een huis in Jakarta terwijl ze later zijn gevlucht naar Kampong Doeri. In 1947 werden ze weer met vader herenigd. Als gevolg van dit alles zou appellant lichamelijke en psychische klachten hebben gekregen.
Verweerster heeft deze aanvraag afgewezen bij besluit van 23 november 2004, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit. Verweerster heeft daarbij overwogen dat niet vastgesteld is kunnen worden dat appellant vervolging in de zin van artikel 2 van Pro de Wet heeft ondergaan, terwijl de omstandigheden waaronder appellant de oorlogsjaren heeft doorgebracht ook niet met vervolging vergelijkbaar zijn, zodat geen aanleiding bestaat om appellant met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen daartegen door appellant is aangevoerd, in rechte stand kan houden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Blijkens artikel 2 van Pro de Wet - samengevat en voor zover hier van belang - wordt onder vervolging verstaan: handelingen of maatregelen van de vijandelijke bezettende macht van het voormalige Nederlands-Indië, welke werden gericht tegen personen of groepen van personen op grond van hun Europese afkomst of Europees georiënteerde of gezinde instelling en welke hebben geleid tot vrijheidsberoving door opsluiting in concentratiekampen, gevangenissen of andere verblijfplaatsen, waar beëindiging van het leven dan wel permanente bewaking van de vervolgde werd beoogd, met inbegrip van het transport naar en tussen dergelijke verblijfplaatsen.
Op grond van de gedingstukken moet de Raad vaststellen dat niet is gebleken dat appellant tijdens de Japanse bezettingsperiode van zijn vrijheid is beroofd in de zin van de Wet. Naar het oordeel van de Raad heeft verweerster derhalve op goede gronden vastgesteld dat appellant geen vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.
Ten aanzien van verweersters weigering om appellant met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Wet met de vervolgde gelijk te stellen, overweegt de Raad het volgende.
Ingevolge dit artikellid kan verweerster - voor zover van toepassing - met de vervolgde gelijkstellen de persoon die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 in omstandigheden verkeerde welke overeenkomst vertonen met vervolging, indien het niet toepassen van de Wet een klaarblijkelijke hardheid zou zijn.
Deze bevoegdheid is discretionair van aard, hetgeen betekent dat aan verweerster een ruime beleidsvrijheid toekomt. Dit brengt mee dat de Raad het besluit op dit punt slechts terughoudend kan toetsen.
Appellant heeft aangevoerd dat de omstandigheden waaronder hij tijdens de oorlog heeft moeten leven, door hem als zeer angstig en bedreigend zijn ervaren na de internering van zijn vader.
Verweerster heeft zich blijkens de gedingstukken op het standpunt gesteld dat appellant niet heeft verkeerd in met vervolging vergelijkbare omstandigheden. Tot dergelijke omstandigheden pleegt verweerster te rekenen het wegvoeren van een ouder wanneer dit gepaard is gegaan met excessief geweld en het overlijden van een ouder tijdens krijgsgevangenschap of internering. Al aangenomen dat de vader van appellant in zijn bijzijn in gevangenschap is weggevoerd, is dat in elk geval niet gepaard gegaan met excessief geweld en voorts is hij na de oorlogsjaren teruggekeerd in het gezin.
De Raad kan zich met dit standpunt van verweerster verenigen. Gelet op de omschrijving van het begrip vervolging in
artikel 2 van Pro de Wet, heeft verweerster kunnen oordelen dat de door appellant aangevoerde oorlogservaringen in een te ver verwijderd verband staan met doel en strekking van de Wet. Het bestreden besluit kan mitsdien de hiervoor omschreven toetsing van de Raad doorstaan.
Ter voorlichting van appellant merkt de Raad tenslotte nog op dat een medisch-inhoudelijke beoordeling bij aanvragen als de onderhavige - gelijk van de zijde van appellant is verzocht - eerst aan de orde komt indien vaststaat dat sprake is van vervolging, dan wel van feitelijke omstandigheden die tot gelijkstelling met de vervolgde aanleiding kunnen geven. Nu verweerster in het geval van appellant niet tot een zodanig oordeel heeft kunnen komen, heeft zij derhalve op goede gronden een medisch-inhoudelijke beoordeling van de aanvraag van appellant achterwege gelaten.
De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2006.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) E. Heemsbergen.