ECLI:NL:CRVB:2006:AX8699
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Weigering erkenning als oorlogsgetroffene wegens ontbreken vervolging in de zin van de WUV
Appellant, geboren in 1937 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als vervolgde en een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Hij stelde dat zijn vader krijgsgevangene was geweest en dat het gezin onder moeilijke omstandigheden de oorlogsjaren had doorgebracht, wat tot lichamelijke en psychische klachten bij hem zou hebben geleid.
Verweerster wees de aanvraag af omdat niet was vastgesteld dat appellant vervolging in de zin van artikel 2 van Pro de WUV had ondergaan. De Raad bevestigde dat appellant niet vrijheidsberoving had ondergaan zoals bedoeld in de Wet, noch dat de omstandigheden vergelijkbaar waren met vervolging. Ook de mogelijkheid tot gelijkstelling op grond van artikel 3, tweede lid, werd verworpen vanwege het ontbreken van omstandigheden die vergelijkbaar zijn met vervolging.
De Raad benadrukte dat een medisch-inhoudelijke beoordeling alleen aan de orde komt indien vaststaat dat sprake is van vervolging of gelijkstelling. Omdat dit niet het geval was, was een dergelijke beoordeling achterwege gelaten. De Raad oordeelde dat de beleidsvrijheid van verweerster discretionair is en dat het bestreden besluit terughoudend getoetst moet worden. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot erkenning als oorlogsgetroffene blijft in stand.