ECLI:NL:CRVB:2006:AX8725
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Weigering ziekengeld wegens recht op loondoorbetaling tijdens ziekte
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch die het beroep van de werkgever gegrond verklaarde en het besluit tot weigering van ziekengeld vernietigde. De rechtbank had bepaald dat betrokkene vanaf 14 februari 2002 recht heeft op ziekengeld, ondanks dat zij recht zou hebben op loondoorbetaling door de werkgever.
In hoger beroep stelde het UWV dat de arbeidsongeschiktheid van betrokkene geen verband hield met zwangerschap of bevalling. De Raad bekeek of de rechtbank terecht de werkgever als belanghebbende in het beroep had toegelaten. Volgens artikel 2a van de Ziektewet, dat toen nog van toepassing was, kon de werkgever niet als belanghebbende optreden in geschillen over arbeidsongeschiktheid van de werknemer.
De Raad constateerde dat de werkgever zonder geldige machtiging namens betrokkene beroep had ingesteld en dat de rechtbank het beroep ten onrechte ontvankelijk had verklaard. Daarom vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Er was geen grond om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het beroep van de werkgever wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een geldige machtiging namens betrokkene.