ECLI:NL:CRVB:2006:AX8725

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-343 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:1 AwbArt. 8:75 AwbArt. 1:2 AwbArt. 2a ZWArt. 29a lid 4 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering ziekengeld wegens recht op loondoorbetaling tijdens ziekte

De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch die het beroep van de werkgever gegrond verklaarde en het besluit tot weigering van ziekengeld vernietigde. De rechtbank had bepaald dat betrokkene vanaf 14 februari 2002 recht heeft op ziekengeld, ondanks dat zij recht zou hebben op loondoorbetaling door de werkgever.

In hoger beroep stelde het UWV dat de arbeidsongeschiktheid van betrokkene geen verband hield met zwangerschap of bevalling. De Raad bekeek of de rechtbank terecht de werkgever als belanghebbende in het beroep had toegelaten. Volgens artikel 2a van de Ziektewet, dat toen nog van toepassing was, kon de werkgever niet als belanghebbende optreden in geschillen over arbeidsongeschiktheid van de werknemer.

De Raad constateerde dat de werkgever zonder geldige machtiging namens betrokkene beroep had ingesteld en dat de rechtbank het beroep ten onrechte ontvankelijk had verklaard. Daarom vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Er was geen grond om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het beroep van de werkgever wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een geldige machtiging namens betrokkene.

Uitspraak

04/343 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 11 december 2003, 02/2677 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
[betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene).
Datum uitspraak: 31 mei 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft I.M.H. Merks-Metz, werkzaam bij Merks Advies in Sociale Verzekering, als gemachtigde een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2006. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M.H. Beersma. Betrokkene is - met kennisgeving - niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 14 maart 2002 heeft appellant geweigerd aan betrokkene ziekengeld te verstrekken met ingang van
14 februari 2002, omdat betrokkene met ingang van die datum niet arbeidsongeschikt wordt geacht tengevolge van haar zwangerschap of bevalling, zodat zij tijdens ziekte recht heeft op loondoorbetaling door de werkgever.
Het namens de betrokkene door [naam werkgever] te [vestigingsplaats] (hierna: de werkgever) ingediende bezwaar heeft appellant bij het aan de betrokkene gerichte besluit van 16 augustus 2002 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
Namens de werkgever heeft de gemachtigde Merks-Metz, voornoemd, tegen het bestreden besluit beroep aangetekend bij de rechtbank.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit van 14 maart 2002 te herroepen en te bepalen dat betrokkene met ingang van 14 februari 2002 recht heeft op ziekengeld (als bedoeld in artikel 29a, lid 4, van de Ziektewet) ter hoogte van haar dagloon, zulks voorzover de bepalingen van de Ziektewet (ZW) zich daar overigens niet tegen verzetten.
In hoger beroep heeft appellant uiteengezet dat de arbeidsongeschiktheid van betrokkene van 14 februari 2002 geen causaal verband houdt met de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap. Appellant verwijst in dat verband nog naar het commentaar d.d. 8 januari 2004 van de bezwaarverzekeringsarts G.C.N. Debie.
De Raad heeft zich allereerst een oordeel gevormd over de vraag of de rechtbank de werkgever van betrokkene terecht in het beroep heeft ontvangen en in verband met deze vraag het volgende overwogen.
Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Bij uitspraken van 24 september 2002 (JB 2002, 342) heeft de Raad geconcludeerd dat de werkgever ten aanzien van een besluit omtrent aanspraken van een werknemer op ziekengeld, als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb moet worden beschouwd. In een uitspraak van 1 oktober 2003 (LJN: AM3310) heeft de Raad beslist dat deze conclusie niet geldt, indien de uitzondering van het per 1 maart 2003 vervallen artikel 2a van de ZW van toepassing is. Tevens heeft de Raad in laatstgenoemde uitspraak overwogen dat artikel 2a in de ZW is opgenomen, teneinde te voorkomen dat de werkgever als belanghebbende zou kunnen worden aangemerkt ten aanzien van besluiten betreffende de arbeidsongeschiktheid van de werknemer. De strekking van artikel 2a van de ZW brengt verder naar het oordeel van de Raad met zich mee dat het artikel niet alleen betrekking heeft op besluiten waarbij in geschil is of al dan niet sprake is van arbeidsongeschiktheid, maar eveneens op besluiten waarbij aard en oorzaak van de arbeidsongeschiktheid aan de orde zijn.
Aan het bestreden besluit ligt een beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van de werkneemster ten grondslag. Ten tijde in geding was artikel 2a van de ZW nog van toepassing. Uit de stukken van de rechtbank blijkt dat mevrouw Merks-Metz als gemachtigde namens de werkgever beroep heeft aangetekend. Niet is komen vast te staan - door middel van een machtiging - dat de werkgever namens betrokkene beroep heeft aangetekend. De rechtbank heeft het beroep van de werkgever ten onrechte ontvankelijk geacht. Dit oordeel brengt met zich mee dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt en dat de Raad zal doen hetgeen de rechtbank had behoren te doen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Verrips als griffier, uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J. Verrips.