ECLI:NL:CRVB:2006:AX8726
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing periodieke uitkering op grond van Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 wegens ontbreken medisch verband
Appellante, geboren in 1942 in voormalig Nederlands-Indië, verzocht om een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Zij stelde dat zij psychische en lichamelijke klachten had gekregen door het omkomen van haar vader in 1944 bij de torpedering van de Junyo Maru. Haar moeder was eerder overleden en zij werd verwaarloosd door pleegouders.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees haar aanvraag af omdat er geen ziekten of gebreken zijn vastgesteld die redelijkerwijs aan het overlijden van haar vader kunnen worden toegeschreven. Deze beslissing werd gehandhaafd na bezwaar. De Raad baseerde zich op medische adviezen, waaronder een onderzoek door arts A.M. Koop, die concludeerde dat de klachten van appellante niet het niveau van ziekte of gebrek bereikten en lichamelijke klachten niet aan het overlijden van haar vader konden worden toegeschreven.
Appellante verwees naar de erkenning van haar zuster krachtens een andere wet, maar de Raad oordeelde dat medische beoordelingen individueel zijn en verschillen kunnen bestaan. Er was geen aanleiding om te twijfelen aan de medische adviezen waarop de afwijzing was gebaseerd. De Centrale Raad van Beroep verklaarde het beroep ongegrond en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van haar aanvraag voor een periodieke uitkering blijft in stand.