ECLI:NL:CRVB:2006:AX8740
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Weigering erkenning oorlogsgetroffene wegens ontbreken vervolging in zin van de Wet
Appellant, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in november 1999 om een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde psychische en lichamelijke klachten te hebben die verband houden met zijn ervaringen tijdens de Japanse bezetting. Verweerster wees de aanvraag af omdat niet was vastgesteld dat appellant vervolging in de zin van de Wet had ondergaan. Dit besluit werd gehandhaafd na bezwaar en ook de Raad verklaarde eerder ingestelde beroepen ongegrond.
In juni 2004 verzocht appellant om herziening van de afwijzing, onderbouwd met vier getuigenverklaringen die zouden aantonen dat hij in Japanse kampen had verbleven. Verweerster oordeelde dat deze verklaringen niet op eigen waarneming berusten en dat de historische gegevens niet overeenkomen met de beweringen over kampverblijven. De Raad toetst terughoudend en concludeerde dat er geen nieuwe feiten zijn die een andere beslissing rechtvaardigen.
De Raad overweegt dat verweerster haar discretionaire bevoegdheid niet onredelijk heeft uitgeoefend en dat het bestreden besluit standhoudt. Er is geen grond voor vernietiging en geen aanleiding tot vergoeding van proceskosten. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering tot erkenning als oorlogsgetroffene blijft in stand.