ECLI:NL:CRVB:2006:AX8803

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-7301 ALGEM
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling privaatrechtelijke dienstbetrekking eigenrijder in transportbedrijf

Appellante exploiteert een internationaal transportbedrijf en maakt gebruik van een eigenrijder die met eigen trekker maar oplegger van appellante rijdt. Het geschil betreft de vraag of deze eigenrijder vanaf 1 juli 2002 in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkte, waarbij het UWV het beleid had gewijzigd dat bezit van een vervoersvergunning niet langer doorslaggevend is voor het niet aannemen van verzekeringsplicht.

De rechtbank Arnhem oordeelde dat voldaan was aan de voorwaarden voor een privaatrechtelijke dienstbetrekking: gezagsverhouding, persoonlijke arbeidsverrichting en loonbetaling. De eigenrijder moest persoonlijk rijden, kon zich niet vrij vervangen, werkte vrijwel dagelijks en werd ingepland door appellante. Hoewel hij enige vrijheid had, zoals het bepalen van vertrek en het weigeren van ritten, was dit niet onverenigbaar met gezag.

De vergoeding per kilometer werd als loon aangemerkt. De Raad onderschrijft deze overwegingen en benadrukt dat vervanging niet willekeurig was en dat de bedrijfsbelangen van appellante de vrijheid beperkten. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat betrokkene werkzaam was in een privaatrechtelijke dienstbetrekking bij appellante.

Uitspraak

04/7301 ALGEM
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 november 2004, 04/1013 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 15 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H.A. Meindersma, verbonden aan SCT Juridisch Adviesbureau B.V. te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellante zijn nadien de gronden van het hoger beroep nader aangevuld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2006. Namens appellante zijn verschenen mr. Meindersma en
mr. C.M. Heerooms, verbonden aan Deloitte te Amsterdam. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen heeft zich zoals tevoren schriftelijk bericht niet doen vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
Appellante exploiteert een (inter-)nationaal transportbedrijf. Appellante is in het bezit van eigen vrachtauto's en heeft chauffeurs in vaste loondienst. Daarnaast maakt zij onder meer gebruik van de diensten van [betrokkene] (hierna: betrokkene), een zogenaamde eigenrijder. Betrokkene is in het bezit van de vereiste vergunningen voor (inter-)nationaal goederenvervoer, rijdt in een eigen trekker, maar met de oplegger van appellante.
In geschil is het antwoord op de vraag of het Uwv bij het bestreden besluiten van 30 maart 2004 terecht zijn standpunt heeft gehandhaafd dat betrokkene vanaf 1 juli 2002 ten behoeve van appellante werkzaam is geweest in een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Hierbij is van belang dat het Uwv vanaf die datum het beleid ten aanzien van vergunninghoudende eigenrijders heeft gewijzigd, in die zin dat het enkele bezit van een vervoersvergunning niet langer doorslaggevend is voor het niet aannemen van verzekeringsplicht.
De rechtbank heeft het beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de drie voorwaarden voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, te weten een gezagsverhouding, de verplichting de werkzaamheden persoonlijk te verrichten en de verplichting tot loonbetaling. Daartoe heeft zij overwogen dat betrokkene gehouden was het vervoer persoonlijk te verzorgen en de mogelijkheid van vervanging daaraan niet in de weg staat. Nu er binnen het eenmansbedrijf van betrokkene geen andere personen werkzaam waren die hem konden vervangen en voorts geen gegevens zijn aangedragen waaruit kan worden opgemaakt dat betrokkene zich daadwerkelijk heeft laten vervangen gaat de rechtbank er van uit dat de werkzaamheden ook steeds door betrokkene persoonlijk zijn verricht. Ten aanzien van de gezagsverhouding acht de rechtbank van belang dat de werkzaamheden als vrachtwagenchauffeur tot de kernactiviteiten van appellante behoren, betrokkene vrijwel dagelijks voor appellante heeft gewerkt en door haar werd ingepland. Voorts heeft de rechtbank daarbij in aanmerking genomen dat betrokkene zijn werkzaamheden in relatieve vrijheid kon verrichten en hij op verschillende punten meer vrijheid genoot dan de chauffeurs in vaste loondienst bij appellante, maar die vrijheid niet zo groot was dat deze onverenigbaar is met het bestaan van een gezagsverhouding. Weliswaar kon betrokkene zelf zijn vertrek naar een bepaalde bestemming bepalen, maar hij diende zich wel te houden aan de door appellante met haar cliënt afgesproken laad- en lostijden. De vrijheid van betrokkene werd aldus beperkt door de bedrijfsbelangen van appellante. De omstandigheid dat betrokkene ritten mocht weigeren acht de rechtbank evenmin onverenigbaar met het bestaan van een gezagsverhouding. Zodra betrokkene een rit had aangenomen werd deze ingebed in de bedrijfsvoering van appellante en diende betrokkene die rit persoonlijk te maken. Ten aanzien van de verplichting tot loonbetaling heeft de rechtbank overwogen dat de door appellante aan betrokkene betaalde vergoeding per gereden kilometer dient te worden aangemerkt als een vergoeding voor verrichte werkzaamheden.
Evenals de rechtbank moet de Raad de aan de orde zijnde vraag bevestigend beantwoorden. De Raad onderschrijft daarbij het oordeel van de rechtbank alsmede de daartoe gebezigde overwegingen en maakt deze tot de zijne. Daarbij heeft hij in het bijzonder in aanmerking genomen dat gezien de eisen die aan de kwaliteit van vrachtwagenchauffeurs als betrokkene worden gesteld en gelet op de bedrijfsbelangen van appellante het niet aannemelijk is dat het betrokkene vrij stond buiten appellante om een willekeurige derde in zijn plaats te sturen. Van willekeurige vervanging van betrokkene is geen sprake geweest nu het zijn moeder en enkele vrienden betreft. Hetgeen overigens nog in hoger beroep naar voren is gebracht, wat in essentie een herhaling is van de grieven die in eerste aanleg naar voren zijn gebracht, heeft de Raad niet tot een andersluidend oordeel kunnen leiden.
Het vorenstaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van C.M.T. Kruls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) C.M.T. Kruls.