ECLI:NL:CRVB:2006:AX8807
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezagsverhouding tussen zakelijk leider en bestuur muziekgezelschap
Appellante, een muziekgezelschap, betwistte de vaststelling van het Uwv dat belanghebbende als zakelijk leider in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot appellante vanwege een gezagsverhouding. Het Uwv had aanvankelijk vastgesteld dat er een gezagsverhouding bestond omdat belanghebbende aanwijzingen kreeg van de artistiek leider en zijn werkzaamheden binnen het organisatorische kader van appellante vielen.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van belanghebbende gegrond wegens procedurele fouten, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit dat sprake was van een dienstbetrekking. Appellante ging in hoger beroep tegen dit oordeel, waarbij de discussie vooral ging over het bestaan van een gezagsverhouding tussen het bestuur en belanghebbende.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het bestuur van appellante, mede vanwege subsidieverplichtingen, toezicht hield op de uitvoering van beleidsplannen en dat belanghebbende als zakelijk leider een duidelijke taak had binnen dit kader. De Raad vond het niet aannemelijk dat het bestuur geen aanwijzingen kon geven aan belanghebbende. Ook het feit dat belanghebbende tijdelijk bestuurder was, stond een gezagsverhouding niet in de weg.
De Raad bevestigde daarom het oordeel dat sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking en verwierp het hoger beroep van appellante. De proceskosten werden niet aan appellante opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat tussen de zakelijk leider en het bestuur van het muziekgezelschap een gezagsverhouding bestaat en daarmee een privaatrechtelijke dienstbetrekking.