ECLI:NL:CRVB:2006:AX8859

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
03-1582 AWBZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens overschrijding termijn AWBZ

Appellante maakte bezwaar tegen een besluit van november 1999 waarin haar inschrijving in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) per 1 januari 2000 werd beëindigd. Dit bezwaar werd bij besluit van 20 december 2000 gegrond verklaard, maar de rechtbank vernietigde dit besluit en verklaarde het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk omdat het te laat was ingediend.

Appellante stelde in hoger beroep dat zij in de veronderstelling verkeerde dat de bezwaartermijn drie maanden bedroeg in plaats van zes weken. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de wettelijke termijn van zes weken van openbare orde is en strikt moet worden nageleefd. Omdat het bezwaar te laat was ingediend en er geen verschoonbare reden was, werd het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af. Partijen waren niet verschenen bij de zitting van 31 mei 2006. De uitspraak werd op 9 juni 2006 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het bezwaar van appellante is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

03/1582 AWBZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (België), (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4 maart 2003, 01/186
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
OHRA Ziektekostenverzekeringen N.V., gevestigd te Arnhem,
(hierna: het bestuursorgaan).
Datum uitspraak: 9 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Bij besluit van november 1999 heeft het bestuursorgaan aan appellante meegedeeld dat haar inschrijving in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) met ingang van 1 januari 2000 wordt beëindigd.
Tegen dit besluit is namens appellante bij brief van 17 februari 2000 bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 20 december 2000 heeft het bestuursorgaan het bezwaar gegrond verklaard.
Bij uitspraak van 4 maart 2003 heeft de rechtbank o.m. het besluit van 20 december 2000 vernietigd en het bezwaar van 17 februari 2000 tegen het besluit van november 1999 alsnog niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 20 december 2000.
Tegen deze uitspraak is namens appellante bij brief van 1 april 2003 hoger beroep ingesteld.
Het bestuursorgaan heeft een verweerschrift ingediend.
Daarna zijn van elk der partijen nog stukken ontvangen. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.
De Raad heeft het geding behandeld ter zitting van 31 mei 2006, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
In dit hoger beroep is uitsluitend de vraag aan de orde, of de rechtbank het bezwaar van appellante tegen het besluit van november 1999 terecht alsnog niet-ontvankelijk heeft verklaard.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. De daarin weergegeven wettelijke regeling van de termijnstelling voor bezwaar en beroep is van openbare orde. Dit brengt mee dat deze op straffe van niet-ontvankelijkverklaring in acht behoort te worden genomen.
Aangezien vast staat dat het besluit met als dagtekening november 1999 op de 15e van die maand aan appellante is verzonden, heeft zij de wettelijke bezwaartermijn van zes weken overschreden en het bezwaarschrift derhalve niet op tijd ingediend.
Hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd (onder meer dat zij in de veronderstelling verkeerde dat de bezwaartermijn drie maanden was), bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat zij bij het indienen van het bezwaar niet in verzuim is geweest. Ook overigens is van enige grond daartoe niet gebleken.
Het bezwaar is derhalve terecht door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard.
De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van art. 8:75 van Pro de Awb acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door M.L. 't Hooft als voorzitter en G.M.T. Berkel-Kikkert en A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2006.
(get.) M.L. ’t Hooft.
(get.) R.L. Rijnen.
BKH 090606