ECLI:NL:CRVB:2006:AX9170
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Intrekking van WAO-uitkering en geschiktheid voor eigen werk na ziekte
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht, die haar beroep tegen de intrekking van haar WAO-uitkering ongegrond verklaarde. Appellante, die zich op 8 juni 1998 ziek meldde met gewrichtsklachten door fibromyalgie, had aanvankelijk een WAO-uitkering ontvangen, maar deze werd door het Uwv per 17 maart 2003 ingetrokken. De verzekeringsarts P. Meels concludeerde na onderzoek dat appellante in staat was haar eigen werk te hervatten, wat door de arbeidsdeskundige J.A.R. Huijnen werd onderschreven. De rechtbank oordeelde dat het Uwv niet onzorgvuldig had gehandeld door geen recente informatie bij de behandelend sector op te vragen en dat de medische grondslag van het besluit voldoende was onderbouwd.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit in rechte stand kon houden, omdat appellante op de datum in geding geschikt werd geacht voor haar eigen werk. De Raad vond geen aanleiding om de proceskosten te veroordelen, aangezien er geen sprake was van een veroordeling van een partij in de proceskosten van de andere partij. De uitspraak werd gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van griffier A.H. Hagendoorn-Huls, op 13 juni 2006.