ECLI:NL:CRVB:2006:AX9170

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-3819 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking van WAO-uitkering en geschiktheid voor eigen werk na ziekte

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht, die haar beroep tegen de intrekking van haar WAO-uitkering ongegrond verklaarde. Appellante, die zich op 8 juni 1998 ziek meldde met gewrichtsklachten door fibromyalgie, had aanvankelijk een WAO-uitkering ontvangen, maar deze werd door het Uwv per 17 maart 2003 ingetrokken. De verzekeringsarts P. Meels concludeerde na onderzoek dat appellante in staat was haar eigen werk te hervatten, wat door de arbeidsdeskundige J.A.R. Huijnen werd onderschreven. De rechtbank oordeelde dat het Uwv niet onzorgvuldig had gehandeld door geen recente informatie bij de behandelend sector op te vragen en dat de medische grondslag van het besluit voldoende was onderbouwd.

In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, maar de Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De Raad oordeelde dat het bestreden besluit in rechte stand kon houden, omdat appellante op de datum in geding geschikt werd geacht voor haar eigen werk. De Raad vond geen aanleiding om de proceskosten te veroordelen, aangezien er geen sprake was van een veroordeling van een partij in de proceskosten van de andere partij. De uitspraak werd gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van griffier A.H. Hagendoorn-Huls, op 13 juni 2006.

Uitspraak

04/3819 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 7 juni 2004, 2003/1058 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 13 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.J. Crombag, advocaat te Geleen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij brief van 15 juni 2005 een vraag van de Raad beantwoord.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 2 mei 2006, waar partijen – met kennisgeving – niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Appellante was werkzaam als medewerkster staf vermogensbeheer toen zij zich op 8 juni 1998 ziek meldde met gewrichtsklachten, veroorzaakt door fybromyalgie. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd werd haar een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
In het kader van een beoordeling van haar recht op WAO-uitkering is appellante op 16 december 2002 onderzocht door de verzekeringsarts P. Meels. In zijn rapport van 17 december 2002 beschrijft Meels dat appellante vanaf juni 2000 geleidelijk aan heeft hervat in haar eigen werk tot een omvang van 24 uur per week. Volgens appellante is deze werkinspanning het maximaal haalbare. Vanwege het ontbreken van externe plausibiliteit achtte Meels evenwel, in het voetspoor van eerdere beoordelingen in april en september 2002, geen reden aanwezig voor het stellen van een urenbeperking. Wel diende volgens Meels teveel statische belasting te worden voorkomen. Meels legde zijn bevindingen vast in een (Kritische) Functionele Mogelijkhedenlijst van 17 december 2002. De arbeidsdeskundige J.A.R. Huijnen heeft blijkens zijn rapport van 16 januari 2003 appellante aan de hand van de bevindingen van Meels en op basis van de omschrijving van haar eigen werk en de belastende factoren daarin geschikt geacht voor dat werk in volle omvang. Subsidiair heeft Huijnen ook functies geduid aan appellante en daarvan uitgaande het verlies aan verdienvermogen berekend op 12,61%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 17 januari 2003 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 17 maart 2003 ingetrokken.
In de bezwaarprocedure heeft de gemachtigde van appellante aangegeven dat in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen recente informatie bij de behandelend sector is opgevraagd. Voorts is aangevoerd dat appellante niet in staat is haar eigen werk in volle omvang uit te voeren en zijn bezwaren aangevoerd tegen de geduide functies. De gemachtigde van appellante heeft verder bij brief van 13 mei 2003 – naar aanleiding van de hoorzitting op 29 april 2003 – meegedeeld ervan af te zien alsnog medische informatie van de huisarts in te brengen omdat deze toen niet de beschikking had over nieuwe informatie betreffende de gezondheidstoestand van appellante.
De bezwaarverzekeringsarts K. Corten heeft in haar rapport van 15 mei 2003 de beschikbare gegevens uitvoerig beschreven en vermeld dat appellante, zoals zij ook aan Meels had gemeld, zich slechts in staat achtte haar eigen werk maximaal 3x 8 uur per week te verrichten. Volgens Corten voldeed appellante evenwel niet aan de criteria voor het stellen van een urenbeperking. Corten onderschreef voorts de door Meels vastgestelde FML, waarbij Corten in haar rapport met name de in de rubrieken 3, 4 en 5 gestelde beperkingen uitvoerig besprak en beoordeelde. Vervolgens achtte ook de bezwaararbeidsdeskundige J.J. van der Naald appellante geschikt voor haar eigen werk en berekende hij – aanvullend – het verlies aan verdienvermogen op basis van de geduide functies na correctie van het maatmaninkomen op 13,71%. Daarna handhaafde het Uwv het primaire besluit van 17 januari 2003 bij zijn besluit van 20 juni 2003 (hierna: het bestreden besluit).
In beroep voerde de gemachtigde van appellante in essentie dezelfde gronden aan als in de bezwaarprocedure. Voorts heeft de gemachtigde nog informatie met bijlagen van de Natuurgeneeskundig Therapeut J. Verhiel van 20 april 2004 aan de rechtbank doen toekomen.
De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen het niet-inwinnen van informatie bij de behandelend sector in dit geval niet onzorgvuldig te achten. De rechtbank wees daartoe op de hiervoor genoemde brief van de gemachtigde van appellante van 13 mei 2003. Vervolgens heeft de rechtbank – onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 14 oktober 2003 (RSV 2004,2) – geoordeeld aan de bevindingen van Verhiel niet die waarde te kunnen hechten die appellante daaraan toegekend wenst te zien. In die uitspraak is namelijk aangegeven dat voor de toepassing van voor de WAO relevante arbeidsbeperkingen geldt dat die op in de reguliere geneeskunde gebruikelijke wijze dienen te worden vastgesteld. De rechtbank heeft voorts de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven en zich verenigd met het oordeel van het Uwv dat appellante op de datum in geding wederom in staat moest worden geacht tot het verrichten van haar eigen werk, zodat van een relevant verlies aan verdienvermogen geen sprake meer was.
In hoger beroep zijn de in eerdere fasen van de procedure namens appellante voorgebrachte bezwaren in essentie herhaald.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank omtrent het bestreden besluit. Hij tekent daarbij wat betreft het standpunt van appellante dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb aan dat volgens dit artikel het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Deze bepaling brengt onder meer mee dat een medisch oordeel inzake de beperkingen van een verzekerde dient te zijn gebaseerd op een volledig en voldoende medisch onderzoek. Het niet inwinnen van informatie bij de (voorheen) behandelend arts(en) kan meebrengen dat het onderzoek niet aan deze eis voldoet. Het niet inwinnen van deze informatie brengt echter, zoals ook de rechtbank aangaf, niet zonder meer in alle gevallen mee dat het onderzoek als onvoldoende zorgvuldig moet worden beoordeeld. De Raad is van oordeel dat de rechtbank afdoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval het niet-inwinnen van nadere informatie bij de behandelend sector niet onzorgvuldig moet worden geacht. De Raad stelt inzake de medische beoordeling door het Uwv voorts vast dat in hoger beroep van de zijde van appellante geen gegevens van medische aard zijn ingebracht die een ander licht werpen op haar gezondheidstoestand op de datum bij het bestreden besluit in geding.
Wat betreft de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de Raad niet gebleken dat appellante, gelet op de vanwege het Uwv vastgestelde beperkingen, op de datum in geding niet in staat was te hervatten in haar eigen werk in volle omvang.
De Raad komt tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden reeds op de grond dat appellante op de datum in geding geschikt werd geacht voor haar eigen werk. De van de zijde van appellante voorgedragen bezwaren tegen de vanwege het Uwv subsidiair of aanvullend geduide functies behoeven derhalve geen bespreking.
Uit al het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.