ECLI:NL:CRVB:2006:AX9283

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6338 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van de arbeidsverhouding en verzekeringsplicht in het kader van de Ziektewet, WAO en WW

In deze zaak, behandeld door de Centrale Raad van Beroep, staat de vraag centraal of de werkzaamheden van [betrokkene 2] voor betrokkene zijn verricht in een arbeidsverhouding die leidt tot verzekeringsplicht. De Raad beoordeelt het geschil aan de hand van de Ziektewet (ZW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Werkloosheidswet (WW). Betrokkene, die zich bezighoudt met financiële dienstverlening, had in de periode van oktober 2002 tot en met december 2003 [betrokkene 2] op provisiebasis levensverzekeringen, hypotheken en pensioenen laten verkopen. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, had vastgesteld dat er sprake was van een gezagsverhouding tussen betrokkene en [betrokkene 2].

De Raad oordeelt dat er inderdaad sprake is van een gezagsverhouding, ondanks de grote mate van vrijheid en zelfstandigheid die [betrokkene 2] had bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden. De Raad stelt vast dat betrokkene aanwijzingen en instructies gaf aan [betrokkene 2], die deze moest opvolgen. Dit wijst op een privaatrechtelijke dienstbetrekking, zoals bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten. De Raad merkt op dat het feit dat [betrokkene 2] ook voor andere opdrachtgevers werkte, niet in de weg staat aan de conclusie dat er een dienstbetrekking met betrokkene bestaat.

De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank Zutphen, die eerder had geoordeeld dat er onvoldoende bewijs was voor de aanwezigheid van werkgeversgezag. De Raad concludeert dat de eerdere beslissing van appellant, die de verzekeringsplicht van [betrokkene 2] bevestigde, terecht was. De uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van griffier R.E. Lysen, op 22 juni 2006.

Uitspraak

05/6338 ALGEM
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 29 september 2005, 04/1658
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
[betrokkene], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna betrokkene),
en
appellant.
Datum uitspraak: 22 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 18 mei 2006, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. W. Zwanink, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, terwijl betrokkene zich heeft doen vertegenwoordigen door haar directeuren [directeuren], bijgestaan door
mr. F.A.K.J. de Roock, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V. te Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Ziektewet (ZW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Werkloosheidswet (WW) en de daarop rustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
Voor een overzicht van de in dit geding relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het vermelden van de volgende, voor de beoordeling van het hoger beroep van belang zijnde gegevens.
Betrokkene houdt zich bezig met financiële dienstverlening op het gebied van verzekeringen, hypotheken, pensioenen en beleggingsaangelegenheden. In de periode oktober 2002 tot en met december 2003 heeft [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2]) op provisiebasis levensverzekeringen, hypotheken en pensioenen op naam en voor rekening van betrokkene verkocht.
Bij besluit van 10 november 2004 heeft appellant zijn besluit van 4 augustus 2004 gehandhaafd, inhoudende dat [betrokkene 2] zijn werkzaamheden voor betrokkene heeft verricht in een arbeidsverhouding, die leidt tot verzekeringsplicht.
Deze verzekeringsplicht is gebaseerd primair op het bepaalde in artikel 3 van de ZW, de WW en de WAO, subsidiair op grond van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder c en d van de ZW, de WW en de WAO, en meer subsidiair op grond van het bepaalde in artikel 5, aanhef en onder d, van voornoemde wetten in verbinding met artikel 5 van het Koninklijk Besluit van 24 december 1986, Stbl. 655.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel uitgesproken dat
zonder nader onderzoek niet staande kan worden gehouden dat er sprake is van werkgeversgezag en daarmee van een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten, dan wel dat sprake is van verzekeringsplicht ingevolge de artikelen 4 en 5 van voornoemde wetten. De rechtbank acht het bestreden besluit in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, aangezien dat besluit berust op een ondeugdelijke motivering. Met bepalingen over de proceskosten en het griffierecht heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 november 2004 vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van haar uitspraak.
Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden, voorzover daarin is geoordeeld dat de vaststelling dat sprake is van een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten op een ondeugdelijke motivering berust.
Het geding in hoger beroep spitst zich toe op de vraag of appellant terecht en op goede gronden heeft vastgesteld dat tussen [betrokkene 2] en betrokkene sprake is van een gezagsverhouding.
De Raad beantwoordt deze vraag, anders dan de rechtbank, bevestigend. Daartoe overweegt de Raad dat van een gezagsverhouding ingevolge zijn vaste jurisprudentie sprake is indien door de werkgever aanwijzingen en instructies kunnen worden gegeven en deze door de pretense werknemer moeten worden opgevolgd. Uit de gedingstukken blijkt dat [betrokkene 2] over de werkzaamheden die hij als provisiewerker zou gaan verrichten geïnstrueerd is door betrokkene. Hij kreeg de door hem te bezoeken adressen van potentiële klanten van betrokkene en bezocht deze teneinde een overeenkomst tussen betrokkene en de klant tot stand te brengen. Dat [betrokkene 2] de werkzaamheden op naam en voor rekening van betrokkene vervolgens met een grote mate van vrijheid en zelfstandigheid uitvoerde, staat naar het oordeel van de Raad niet aan het aannemen van een gezagsverhouding in de weg, temeer omdat deze werkzaamheden een essentieel onderdeel van de bedrijfsvoering van betrokkene vormden. Daarbij komt dat dezelfde werkzaamheden door ten minste één werknemer in loondienst werden verricht en dat betrokkene dat deel van de provisie dat voor [betrokkene 2] bestemd was eerst uitkeerde nadat zij de volledige provisie van de desbetreffende geldverstrekker en/of verzekeraar had ontvangen. Voorts laat de Raad niet onvermeld dat [betrokkene 2] zijn werkzaamheden, niet alleen in financieel opzicht, niet kon afronden zonder daarbij gebruik te maken van het organisatorisch kader van betrokkene. Naar het oordeel van de Raad is hiermee tevens gegeven dat [betrokkene 2] zijn werkzaamheden niet voor eigen rekening en risico heeft verricht.
De Raad merkt nog op dat het feit dat [betrokkene 2] voor meer opdrachtgevers werkte en mogelijk als zelfstandige moet worden aangemerkt er niet aan in de weg staat om met betrekking tot de arbeidsverhouding met betrokkene het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking aan te nemen.
Gezien het voorgaande dient de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten te worden vernietigd.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep in zoverre ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2006.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) R.E. Lysen.
BKH 210606