ECLI:NL:CRVB:2006:AX9283
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de arbeidsverhouding en verzekeringsplicht in het kader van de Ziektewet, WAO en WW
In deze zaak, behandeld door de Centrale Raad van Beroep, staat de vraag centraal of de werkzaamheden van [betrokkene 2] voor betrokkene zijn verricht in een arbeidsverhouding die leidt tot verzekeringsplicht. De Raad beoordeelt het geschil aan de hand van de Ziektewet (ZW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Werkloosheidswet (WW). Betrokkene, die zich bezighoudt met financiële dienstverlening, had in de periode van oktober 2002 tot en met december 2003 [betrokkene 2] op provisiebasis levensverzekeringen, hypotheken en pensioenen laten verkopen. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, had vastgesteld dat er sprake was van een gezagsverhouding tussen betrokkene en [betrokkene 2].
De Raad oordeelt dat er inderdaad sprake is van een gezagsverhouding, ondanks de grote mate van vrijheid en zelfstandigheid die [betrokkene 2] had bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden. De Raad stelt vast dat betrokkene aanwijzingen en instructies gaf aan [betrokkene 2], die deze moest opvolgen. Dit wijst op een privaatrechtelijke dienstbetrekking, zoals bedoeld in artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten. De Raad merkt op dat het feit dat [betrokkene 2] ook voor andere opdrachtgevers werkte, niet in de weg staat aan de conclusie dat er een dienstbetrekking met betrokkene bestaat.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt de aangevallen uitspraak van de rechtbank Zutphen, die eerder had geoordeeld dat er onvoldoende bewijs was voor de aanwezigheid van werkgeversgezag. De Raad concludeert dat de eerdere beslissing van appellant, die de verzekeringsplicht van [betrokkene 2] bevestigde, terecht was. De uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van griffier R.E. Lysen, op 22 juni 2006.