ECLI:NL:CRVB:2006:AX9297

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-2725 WAJONG-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArtikel 21 Beroepswet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening wegens uitblijven nadere beslissing UWV in WAJONG-zaken

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam en tegelijkertijd een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om spoedig een nieuw besluit van het UWV te verkrijgen. De rechtbank had bepaald dat het UWV een nadere beslissing op bezwaar moest nemen, maar het UWV kwam deze verplichting niet tijdig na.

De voorzieningenrechter heeft eerder een voorlopige voorziening toegewezen om het UWV te verplichten binnen twee weken een beslissing te nemen. Het UWV heeft hieraan geen gehoor gegeven, waarna verzoeker opnieuw een voorlopige voorziening heeft gevraagd.

Na het nemen van de nadere beslissing door het UWV op 19 mei 2006 is het belang bij het verzoek om voorlopige voorziening komen te vervallen. Daarom verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk en bepaalt dat het betaalde griffierecht aan verzoeker wordt vergoed.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het UWV inmiddels een nadere beslissing heeft genomen.

Uitspraak

06/2725 WAJONG-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 augustus 2004, nr. 04/280 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover de beoordeling van een verzoek om voorlopige voorziening meebrengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is het niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.
Voor een overzicht van de voor de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank bepaald dat het Uwv een nadere beslissing op het bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Wegens het uitblijven van het nieuwe besluit heeft verzoeker bij schrijven van 25 februari 2006 verzocht een voorlopige voorziening te treffen strekkende tot het spoedig verkrijgen van een nieuw besluit.
De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 19 april 2006 het verzoek toegewezen en het Uwv opgedragen om binnen twee weken na uitspraakdatum ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nadere beslissing op bezwaar te nemen.
Door het Uwv is aan de vorenbedoelde opdracht geen gehoor gegeven.
Verzoeker heeft dienaangaande bij schrijven van 9 mei 2006 wederom verzocht een voorlopige voorziening te treffen strekkende tot het spoedig verkrijgen van een nieuw besluit.
Aangezien het Uwv op 19 mei 2006 een nadere beslissing op bezwaar heeft genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is het belang aan het verzoek een voorlopige voorziening te treffen, komen te ontvallen.
Het vorenstaande leidt ertoe dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen kennelijk niet-ontvankelijk is, zodat de voorzieningenrechter onder toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb, zonder zitting uitspraak zal doen.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 105,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.
(get) M.S.E. Wulffraat-van Dijk.
(get) P. van der Wal.
GdJ