ECLI:NL:CRVB:2006:AX9298

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4243 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.M.A. van der Kolk-Severijns
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 35 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor aanschaf identiteitskaart

Appellant verzocht bij de gemeente Nijmegen om bijzondere bijstand voor de aanschaf van een identiteitskaart voor zijn dochter. Het College wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde deze beslissing, waarna appellant in hoger beroep ging bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad overwoog dat de kosten van een identiteitskaart als incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten worden beschouwd, die in principe uit de bijstandsnorm moeten worden voldaan. Er was geen sprake van bijzondere omstandigheden zoals bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB. De Raad wees het argument van appellant af dat de kosten niet uit de bijstandsnorm konden worden voldaan en dat er sprake was van onvoldoende draagkracht.

Ook het feit dat het College vanaf 2006 de kosten voor identiteitsbewijzen voor kinderen vanaf 14 jaar zou vergoeden, gaf geen grond om de kosten in dit in 2004 spelende geval te vergoeden. De Raad bevestigde daarom het bestreden vonnis en zag geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor de aanschaf van een identiteitskaart.

Uitspraak

05/4243 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 mei 2005, 05/559 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: het College).
Datum uitspraak: 13 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 1 mei 2006, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Op 22 november 2004 heeft appellant zich gewend tot de Afdeling Sociale Zaken en Werk van de gemeente Nijmegen (hierna: SoZaWe) met een aanvraag om bijzondere bijstand in de kosten voor de aanschaf van een identiteitskaart van zijn dochter.
Bij besluit van 1 december 2004 heeft het College de aanvraag afgewezen.
Bij besluit van 31 januari 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 1 december 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 31 januari 2005 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voorzover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het College niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voorzover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
Appellant meent, anders dan het College, dat in zijn geval wordt voldaan aan de voorwaarden voor het recht op bijzondere bijstand. Er is sprake van noodzakelijke kosten en bijzondere omstandigheden, de kosten voor de aanschaf van de identiteitskaart kunnen niet worden voldaan uit de bijstandsnorm en er is sprake van onvoldoende draagkracht.
De kosten voor de aanschaf van een identiteitskaart behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, welke kosten de betrokkene in beginsel zelf uit de bijstandsnorm dient te voldoen. De Raad is van oordeel dat hetgeen door appellant is aangevoerd niet kan leiden tot de slotsom dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 35, eerste lid van de WWB. Kosten voor een identiteitskaart zijn kosten waarvoor een ieder zich geplaatst ziet, hetgeen van griffierecht niet kan worden gezegd.
Het College heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat in het geval van appellant geen sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB. De omstandigheid dat het College met ingang van 2006 de kosten van identiteitsbewijzen zou vergoeden voor kinderen vanaf 14 jaar kan niet leiden tot gehoudenheid van het College om in het onderhavige - in 2004 spelende - geval de kosten voor de aanschaf van de identiteitskaart te vergoeden.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) M. Pijper.
TG10052006