ECLI:NL:CRVB:2006:AX9303

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3034 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.M.A. van der Kolk-Severijns
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbArt. 8:77 AwbArt. 8:11 AwbArt. 15 WWBArt. 16 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank en afwijzing bijzondere bijstand orthodontiekosten

Appellant heeft bij het College van burgemeester en wethouders van Nijmegen bijzondere bijstand aangevraagd voor orthodontiekosten van zijn partner. Deze aanvraag werd door het College afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde deze afwijzing, maar de uitspraak werd ondertekend door een andere rechter dan degene die de zitting leidde, wat in strijd is met de Awb.

De Centrale Raad van Beroep vernietigt daarom de uitspraak van de rechtbank. Omdat partijen geen terugwijzing naar de rechtbank hebben verzocht en de Raad geen aanleiding ziet, wordt de zaak inhoudelijk door de Raad zelf behandeld en afgedaan.

De Raad overweegt dat de Ziekenfondswet een passende voorziening biedt voor tandheelkundige hulp, waardoor bijzondere bijstand op grond van artikel 15 WWB Pro in principe niet toekomt. Alleen bij zeer dringende redenen, zoals een acute noodsituatie, kan op grond van artikel 16 WWB Pro bijstand worden verleend. De medische verklaringen en het proces-verbaal tonen echter aan dat er geen sprake is van een acute noodsituatie.

De Raad concludeert dat het College terecht de bijzondere bijstand heeft geweigerd en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de bijzondere bijstand voor orthodontiekosten wordt geweigerd.

Uitspraak

05/3034 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 14 april 2005, 04/1841 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen (hierna: het College).
Datum uitspraak: 13 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 1 mei 2006, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad overweegt ambtshalve het volgende.
Ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doet de rechtbank uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. In artikel 8:77, eerste lid, van de Awb is neergelegd dat de schriftelijke uitspraak de naam van de rechter of de namen van de rechters vermeldt die de zaak heeft onderscheidenlijk hebben behandeld.
Ingevolge artikel 8:77, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 8:11, tweede lid, van de Awb wordt de uitspraak ondertekend door degene die zitting heeft in de enkelvoudige kamer en de griffier. Bij verhindering van de rechter of de griffier wordt dit in de uitspraak vermeld.
De aangevallen uitspraak is gedaan en ondertekend door mr. I. Linssen, lid van de enkelvoudige kamer van de rechtbank. Het beroep van appellant is echter ter zitting behandeld, zo blijkt uit het ter zake opgemaakte proces-verbaal van 14 februari 2005 door een andere rechter, mr. J. Barrau.
Gelet op de hiervoor vermelde artikelen van de Awb, in onderlinge samenhang bezien, dient de uitspraak van een enkelvoudige kamer te worden gedaan en ondertekend door de rechter die de behandeling ter zitting heeft geleid, zodat de aangevallen uitspraak in strijd is met de genoemde voorschriften. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Gelet op het feit dat de rechtbank de zaak inhoudelijk heeft behandeld, partijen niet hebben verzocht om terugwijzing van de zaak naar de rechtbank en de Raad daartoe voorts geen aanleiding ziet, zal de Raad de zaak zonder terugwijzing afdoen.
Op 13 februari 2004 heeft appellant zich gewend tot de Afdeling Sociale Zaken en Werk (hierna: SoZaWe) van de gemeente Nijmegen met een aanvraag om bijzondere bijstand in kosten van orthodontie. De kosten hebben betrekking op de partner van appellant, [naam partner].
Bij besluit van 13 mei 2004 is de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand afgewezen.
Bij besluit van 29 juli 2004 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van
13 mei 2004 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
29 juli 2004 ongegrond verklaard.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad overweegt ten aanzien van de weigering van bijzondere bijstand in de kosten van orthodontie het volgende.
De Ziekenfondswet is voor de kosten van tandheelkundige hulp als een aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorziening aan te merken. Dit brengt mee dat artikel 15, eerste lid, van de WWB in beginsel aan de toekenning van bijzondere bijstand in bedoelde kosten in de weg staat.
Het eerste lid van artikel 16 van Pro de WWB biedt de mogelijkheid om in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de WWB, in bedoelde kosten bijstand te verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Blijkens de Memorie van Toelichting dient in een dergelijk geval vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. De verklaringen van de behandelend orthodontist H.E.R. Colsen van 2 februari 2004, 21 juni 2004 en 21 september 2004 en het rapport opgemaakt naar aanleiding van het telefonisch contact met de orthodontist op 13 mei 2004 bieden de Raad onvoldoende aanknopingspunten om te oordelen dat in het geval van appellant sprake is geweest van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. De orthodontist geeft in de brief van 2 februari 2004 aan dat orthodontische behandeling gewenst is. Uit het proces-verbaal van de zitting van 14 februari 2005, waarin is vermeld dat de partner van appellant al vijf jaar klachten heeft, leidt de Raad bovendien af dat er geen sprake is van een acute noodsituatie.
Hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
Op basis van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het College niet de bevoegdheid toekwam om appellant bijzondere bijstand toe te kennen voor de hier besproken kosten.
De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 29 juli 2004 ongegrond;
Bepaalt dat de gemeente Nijmegen aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 103,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.M.A. van der Kolk-Severijns. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.
(get) J.M.A. van der Kolk-Severijns.
(get.) M. Pijper.
TG10052006