Appellante was werkzaam als schoonmaakster en viel uit wegens spanningsklachten en hyperventilatie. Het UWV had haar WAO-uitkering ingetrokken op grond van een vermindering van haar arbeidsongeschiktheid tot minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellante ging in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV het besluit heeft genomen met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), dat in beginsel aanvaardbaar is, maar dat de motivering en toelichting van het besluit onvoldoende waren om de beoordeling goed te kunnen toetsen. Hoewel het arbeidskundig rapport voldoende inzicht gaf in de belastbaarheid, ontbrak een deugdelijke motivering bij het besluit op bezwaar.
De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen ervan op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in stand. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De medische grondslag van de beoordeling wordt als juist beschouwd, en er is geen aanleiding voor nader medisch onderzoek.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.
Uitspraak
04/531 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 december 2003, 02/2334 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 13 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.A.J.M. Snijders, advocaat te Boxtel, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft het Uwv nadere informatie aan de Raad verstrekt, waarop appellante heeft gereageerd. Het Uwv heeft vervolgens daarop gereageerd.
Appellante heeft nadien nog medische informatie ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2006. Appellante is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door G.M.M. Diebels.
II. OVERWEGINGEN
Appellante was werkzaam als schoonmaakster gedurende 17,5 uren per week toen zij op 8 augustus 2000 uitviel wegens spanningsklachten en hyperventilatie. Bij besluit van 11 februari 2002 heeft het Uwv de uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke - uit zorgvuldigheidsoverwegingen - met ingang van 7 augustus 2001 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% aan appellante was toegekend, met ingang van 5 april 2002 ingetrokken, onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum was afgenomen naar minder dan 15%. Namens appellante heeft mr. Snijders, voornoemd, tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 19 september 2002 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante per 4 februari 2002. De rechtbank oordeelt dat appellante op de in geding zijnde datum in staat moet worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde beperkingen. De in het kader van het arbeidskundig onderzoek geduide functies die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, zijn naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als arbeid die wat betreft de daarin voorkomende belasting in overeenstemming is met de vastgestelde beperkingen en de functies zijn ook overigens te beschouwen als algemeen geaccepteerde arbeid waartoe appellante met haar krachten en bekwaamheden in staat is.
In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de rapportages van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts toereikend heeft geacht. Voorts acht appellante de besluitvorming door gedaagde onzorgvuldig, nu geen informatie bij de behandelend sector is ingewonnen. Ten slotte acht appellante het onjuist dat de rechtbank, ondanks haar verzoek daartoe, geen psychiater als deskundige heeft benoemd.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
Op grond van het volgende beantwoordt de Raad deze vraag, anders dan de rechtbank, ontkennend.
Voor wat de medische grondslag van de schatting betreft overweegt de Raad als volgt.
Aan de Raad is niet kunnen blijken dat het door de bezwaarverzekeringsarts M.H.M. Ligthart in zijn rapportage van 19 augustus 2002 geaccordeerde belastbaarheidspatroon van appellante, zoals in de primaire fase van de besluitvorming opgesteld door de verzekeringsarts J.T.M. Schneijdenberg, geen juiste weergave vormt van de bij haar ten tijde hier in geding, 5 april 2002, bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt dat Ligthart blijkens zijn rapportage bij het beoordelen van de belastbaarheid van appellante kennis droeg van de brief van de psychiater D.P. Ravelli van GGZ
's-Hertogenbosch van 30 mei 2002, waaruit blijkt dat appellante in augustus 2001 is doorverwezen in verband met slaapproblemen en stemmings- en angstklachten, welke na het overlijden van haar moeder en haar zuster drie jaar geleden zijn toegenomen. Volgens Ravelli is er sprake van een angststoornis en een afhankelijke persoonlijkheid.
Haar standpunt in hoger beroep dat zij volledig arbeidsongeschikt is, heeft appellante niet onderbouwd met nadere gegevens van medische aard en het biedt onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen of tot het instellen van een nader medisch onderzoek.
Dit oordeel wordt niet anders door de namens appellante in hoger beroep ingezonden informatie van haar huisarts, waaruit blijkt dat appellante en haar echtgenoot - zijns inziens terecht - afzien van verdere behandeling bij GGZ en dat haar psychiatrische diagnose zou kunnen zijn hypochondrie, gekoppeld aan ernstige angststoornissen, nu deze informatie niet ziet op de in geding zijnde datum.
Voor wat betreft de arbeidskundige kant van de onderhavige schatting overweegt de Raad als volgt.
De in dit geding aan de orde zijnde schatting is uitgevoerd met behulp van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). In zijn uitspraken van 9 november 2004, LJNrs. AR4716, AR4717, AR4718, AR4719, AR4721 en AR4722, heeft de Raad overwogen dat hem niet is gebleken van redenen om een systeem als het CBBS niet in beginsel rechtens aanvaardbaar te achten als ondersteunend systeem en methode bij de beoordeling of, en zo ja in welke mate, iemand arbeidsongeschikt is te achten in de zin van de arbeidsongeschiktheidswetten. De Raad heeft voorts overwogen dat vanwege de hem gebleken onvolkomenheden van het CBBS uiterlijk bij het besluit op bezwaar de schatting dient te zijn voorzien van een zodanig deugdelijke toelichting en motivering, dat op grond daarvan voldoende inzicht wordt geboden in, en een voldoende mogelijkheid tot toetsing wordt verschaft van de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslagen en uitgangspunten waarop de schatting berust. In reeds lopende zaken, waarin aan laatstvermelde eis niet is voldaan, dient het bestreden besluit in beginsel te worden vernietigd. Indien het Uwv het besluit in de loop van de procedure in eerste aanleg of in hoger beroep alsnog voorziet van de ontbrekende toelichting, onderbouwing en/of motivering, kan er aanleiding zijn de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten.
De Raad stelt vast dat het in hoger beroep overgelegde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige M.M. Arts van 15 april 2005 voldoende inzichtelijk maakt dat en waarom de voor appellante geselecteerde functies door haar kunnen worden vervuld. Het gaat hierbij om functies die eenvoudig gestructureerde, routinematige arbeid betreffen met een duidelijke taakopdracht en een duidelijke taakverwachting. Het betreft ongeschoold werk, waarin geen groot beroep wordt gedaan op intelligentie en opleiding. De gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal door appellante vormt geen beletsel de geduide functies te vervullen. Het gaat om eenvoudig werk dat door voordoen of door middel van een korte instructie kan worden geleerd. Daar komt bij dat appellante eerder in eenvoudig werk op de Nederlandse arbeidsmarkt heeft gefunctioneerd.
De Raad acht deze eerst in hoger beroep gegeven nadere arbeidskundige onderbouwing op zichzelf voldoende. Gelet evenwel op 's Raads vorenstaande overwegingen met betrekking tot de motivering van besluiten, tot stand gekomen met behulp van het CBBS, en in aanmerking genomen de datum waarop de beslissing op bezwaar is genomen, dient het bestreden besluit te worden vernietigd, doch kunnen de rechtsgevolgen van dat besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand worden gelaten.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de beslissing als aangegeven in rubriek III.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 vanPro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 116,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.W. Engelhart als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2006.