ECLI:NL:CRVB:2006:AX9437

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5051 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 ANWArt. 22 Verdrag sociale zekerheid Nederland-TurkijeArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering nabestaandenuitkering wegens niet-verzekerd zijn echtgenoot bij overlijden

Appellante, woonachtig in Turkije, verzocht om een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van haar echtgenoot in 1999. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde de uitkering omdat de echtgenoot niet verzekerd was volgens de ANW ten tijde van zijn overlijden. De rechtbank Amsterdam onderschreef dit standpunt.

In hoger beroep stelde appellante dat haar echtgenoot een Nederlandse uitkering ontving en dus verzekerd was. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat volgens artikel 13 van Pro de ANW alleen personen die ingezetene zijn of in Nederland werken verzekerd zijn. Omdat de echtgenoot in Turkije woonde en niet meer in Nederland werkte, was hij niet verzekerd. Ook de Remigratiewet-uitkering gaf geen verzekering volgens de geldende besluiten.

Verder stelde de Raad vast dat appellante niet had betwist dat haar echtgenoot niet verzekerd was volgens de Turkse wetgeving, waardoor ook op grond van het Verdrag tussen Nederland en Turkije geen recht op uitkering bestaat. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de nabestaandenuitkering omdat de echtgenoot niet verzekerd was ingevolge de ANW.

Uitspraak

05/5051 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Turkije) (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2005, 03/4874 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 23 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Svb de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder de Svb tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2006. Appellante is daarbij niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes.
II. OVERWEGINGEN
Appellante is [in] 1998 in Turkije gehuwd met [partner] en woont in Turkije. Haar echtgenoot is vanaf 1969 tot in of omstreeks 1997 in Nederland werkzaam geweest. Vervolgens is hij met een uitkering ingevolge de Remigratiewet teruggekeerd naar Turkije. Op 17 augustus 1999 is de echtgenoot van appellante in Turkije overleden. Vervolgens heeft appellante in november 2001 aan de Svb verzocht een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aan haar toe te kennen.
Bij beslissing op bezwaar van 2 oktober 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Svb zijn besluit van 25 juli 2002 gehandhaafd, waarbij is geweigerd een nabestaandenuitkering aan appellante toe te kennen, omdat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was ingevolge de ANW. Daarbij heeft de Svb erop gewezen dat de echtgenoot van appellante ook niet op grond van de Besluiten inzake uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen verzekerd is geweest, omdat daarin de remigratie-uitkering niet staat vermeld als een uitkering op grond waarvan verzekering in het buitenland mogelijk is. Voorts is overwogen dat ook op grond van artikel 22 van Pro het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid (hierna: het Verdrag) geen recht bestaat op een Nederlandse nabestaandenuitkering, nu niet is gebleken dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden verzekerd was krachtens de Turkse wetgeving.
De rechtbank heeft dit standpunt in de aangevallen uitspraak onderschreven. Appellante heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat haar echtgenoot een Nederlandse uitkering ontving en dus verzekerd was ingevolge de Nederlandse wetgeving.
Tussen partijen is in hoger beroep in geschil of de Svb terecht heeft geweigerd een nabestaandenuitkering aan appellante toe te kennen. Daarbij spitst het geschil zich met name toe op de vraag of de Svb terecht heeft geoordeeld dat de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden op 17 augustus 1999 niet verzekerd was krachtens de ANW. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.
Ingevolge artikel 13 van Pro de ANW is verzekerd krachtens die wet degene die ingezetene is of die geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. Nu de echtgenoot van appellante ten tijde van zijn overlijden in Turkije woonde en niet meer werkzaam was in Nederland, was hij toen op grond van deze bepaling niet verzekerd.
Voorts was op grond van de Besluiten inzake uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen, zoals die vanaf 1997 tot 1 januari 2000 luidden, ook verzekerd krachtens de volksverzekeringen degene die buiten Nederland is gaan wonen en op de dag van vertrek een bepaalde Nederlandse uitkering ontving ter hoogte van tenminste een nader omschreven bedrag per maand. Uitkeringen ingevolge de Remigratiewet stonden in dit artikel echter niet genoemd. Dit betekent dat de echtgenoot van appellante op 17 augustus 1999 niet meer verzekerd was krachtens de ANW, zodat geen aanspraak kan bestaan op een nabestaandenuitkering krachtens die wet.
Voorts stelt de Raad vast dat door appellante niet is betwist dat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was krachtens de Turkse wetgeving, zodat ook op grond van artikel 22 van Pro het Verdrag geen aanspraak op een Nederlandse nabestaandenuitkering kan bestaan.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2006.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) P.H. Broier.
GdJ