ECLI:NL:CRVB:2006:AX9515
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herhaalde aanvraag vrijstelling verzekeringsplicht AOW met terugwerkende kracht
Appellant, met een arbeidsongeschiktheidsuitkering en een Duitse Berufsunfähigkeitsrente, verzocht de Sociale verzekeringsbank (Svb) om vrijstelling van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen met terugwerkende kracht. De Svb verleende vrijstelling vanaf 1 juli 2001, maar wees een verzoek om eerdere ingang af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangetoond die een herziening rechtvaardigen.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn medische situatie in 2000-2001 een onbillijkheid van overwegende aard opleverde, maar de Raad oordeelde dat de aanvraag van 14 november 2001 een herhaalde aanvraag betrof die slechts getoetst kan worden aan nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Hoewel appellant stelde dat hij al sinds 1979 een Duitse uitkering ontving, leidde dit niet tot een andere beslissing omdat de Svb de vrijstelling terecht vanaf de datum van de aanvraag toekent, met een mogelijke terugwerkende kracht van maximaal drie jaar bij onbillijkheden.
De Raad vond dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij door zijn medische situatie niet tijdig kon aanvragen en wees op het feit dat hij wel een belastingadviseur inschakelde. De overige omstandigheden wezen op onbekendheid met de regeling, wat geen grond is voor terugwerkende vrijstelling. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vrijstelling van de verzekeringsplicht blijft van kracht vanaf 1 juli 2001.