ECLI:NL:CRVB:2006:AX9534

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-5028 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden

Appellant, die van 1970 tot 1977 in Nederland werkte en sinds 1977 in Marokko woont, vroeg in 1985 een WAO-uitkering aan. Deze werd in 1989 geweigerd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Na een eerdere afwijzing door rechtbank en Raad, diende appellant in 2001 een herhaalde aanvraag in. Het UWV handhaafde het oorspronkelijke besluit in 2003 omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangetoond.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en ook in hoger beroep werd dit bevestigd. Appellant stelde dat hij door ziekte niet kon werken en dat geen onderzoek in Nederland had plaatsgevonden. De Raad oordeelde echter dat het bestuursorgaan bevoegd was het eerdere besluit te heroverwegen, maar dat toetsing beperkt is tot het beoordelen van nieuwe feiten of omstandigheden.

Gezien de medische verklaringen van Marokkaanse artsen geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden bevatten, was het bestreden besluit van het UWV redelijk en rechtmatig. Het hoger beroep faalde, en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er was geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om een WAO-uitkering toe te kennen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden.

Uitspraak

04/5028 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 augustus 2004, 04/170 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 29 mei 2006, waar partijen – het Uwv met kennisgeving – niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv mede verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Hout- en Meubelindustrie en Groothandel in Hout.
Appellant heeft van 1970 tot in 1977 in Nederland gewerkt, laatstelijk als houtbewerker. In 1977 is hij na een vakantie in Marokko niet meer teruggekeerd in Nederland en sindsdien woont appellant in Marokko.
Naar aanleiding van een in 1985 ingediende aanvraag om een arbeidsongeschiktheids-uitkering heeft het Uwv bij besluit van 1 februari 1989 geweigerd met ingang van 22 juli 1977 een uitkering ingevolge, onder meer, de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) aan appellant toe te kennen, omdat de mate van arbeidsonge-schiktheid van appellant minder dan 15% zou bedragen. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 april 1993 ongegrond verklaard, welke uitspraak is bevestigd door de Raad bij uitspraak van 19 augustus 1994.
In januari 2001 heeft appellant opnieuw een aanvraag om een arbeidsongeschiktheids-uitkering ingediend. Bij besluit van 15 juli 2003, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 22 december 2003 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv geweigerd terug te komen van het besluit van 1 februari 1989, omdat de door appellant verstrekte gegevens geen nieuwe aspecten toevoegen aan hetgeen het Uwv reeds bekend was.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Door appellant is in beroep en in hoger beroep aangevoerd dat hij door ziekte niet in staat is te werken en dat ten onrechte geen onderzoek in Nederland heeft plaatsgevonden.
De Raad overweegt het volgende.
Het Uwv heeft bij het bestreden besluit geweigerd terug te komen van het rechtens onaantastbaar geworden besluit van 1 februari 1989. Een dergelijke weigering kan slechts terughoudend door de bestuursrechter worden getoetst. Zoals al eerder is overwogen, onder meer in de uitspraken gepubliceerd in RSV 2004, nrs. 87 t/m 91, hanteert de Raad in een geval als het onderhavige thans de volgende toetsingsnorm.
Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, een herhaalde aanvraag inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bepaalde in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staat daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Gelet hierop dient de bestuursrechter in zulk geval uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
Door appellant zijn diverse medische verklaringen van Marokkaanse artsen overgelegd. De Raad is met het Uwv van oordeel dat uit die verklaringen geen nieuwe feiten of gewijzigde omstandigheden blijken met betrekking tot de medische situatie van appellant op of omstreeks 22 juli 1977.
Een en ander brengt de Raad tot het oordeel dat niet kan worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot zijn bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Dit betekent dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.F. van Moorst als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2006.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.F. van Moorst.
MH