ECLI:NL:CRVB:2006:AX9571
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering AOW-uitkering ondanks betwisting aflossingscapaciteit
Appellant ontving te veel AOW-uitkering over de periode augustus 2002 tot en met maart 2003, welke door de Sociale verzekeringsbank (Svb) werd teruggevorderd. De Svb stelde op basis van een inkomensonderzoek een aflossingscapaciteit van €50 per maand vast, waarmee de terugvordering zou worden verrekend. Appellant betwistte deze vaststelling en voerde aan dat hij door inkomensdaling en ongunstige wisselkoersen onvoldoende draagkracht had.
De rechtbank Rotterdam wees het bezwaar van appellant af, en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad overweegt dat dringende redenen om af te zien van terugvordering slechts in uitzonderlijke gevallen kunnen worden aangenomen, waarbij financiële en sociale consequenties onaanvaardbaar zijn. Dit was hier niet het geval.
De Raad concludeert dat de berekening van de aflossingscapaciteit correct was, gebaseerd op door appellant verstrekte gegevens. Pas in juli 2005 werd een inkomensdaling gemeld, waarop de Svb de invordering opschortte. Het niet eerder melden van relevante wijzigingen in de financiële situatie komt voor rekening van appellant.
De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt het bestreden besluit, zonder toekenning van proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van het te veel betaalde AOW-pensioen en wijst het hoger beroep af.