ECLI:NL:CRVB:2006:AX9581

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-430 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 AKWArt. 26 IVBPRArt. 14 EVRMArt. 8:75 AwbArt. 65 Euro-mediterrane overeenkomst EG-Marokko
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering kinderbijslag op grond van niet voldoen aan de 3-maanden eis

Appellant ontving tot eind 2002 kinderbijslag voor zijn in Marokko verblijvende kinderen. De Sociale verzekeringsbank (Svb) verscherpte per 1 januari 2001 haar beleid en stelde dat het voortbestaan van het gezamenlijke huishouden met achtergebleven gezinsleden eindigt zodra de verzekerde als ingezetene van Nederland wordt aangemerkt, tenzij hij feitelijk meer dan drie maanden per jaar in het land van herkomst verblijft.

Appellant voldeed niet aan deze '3-maanden eis' en kon niet aantonen substantieel bij te dragen in het onderhoud van zijn kinderen. Hij stelde dat deze eis discriminerend was en in strijd met internationale verdragen zoals het IVBPR en het EVRM. De Raad oordeelde echter dat de eis gebaseerd is op objectieve criteria en geen verboden onderscheid naar nationaliteit inhoudt.

De Raad bevestigde het besluit van de Svb en de uitspraak van de rechtbank dat appellant geen recht heeft op kinderbijslag onder het huidige beleid. Tevens wees de Raad proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door T.L. de Vries op 23 juni 2006.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van kinderbijslag omdat appellant niet voldoet aan de 3-maanden eis.

Uitspraak

05/430 AKW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 15 december 2004, 04/1828 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 23 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Svb de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder de Svb tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Namens appellant heeft mr. T. Scholtus, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 mei 2006. Appellant is verschenen met bijstand van mr. T. Scholtus. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.J. van de Nes, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. MOTIVERING
Appellant heeft tot en met het vierde kwartaal van 2002 kinderbijslag ontvangen voor zijn kinderen, die in Marokko verblijven bij zijn echtgenote. De Svb is er daarbij van uitgegaan dat deze kinderen behoorden tot het huishouden van appellant, zodat appellant ten aanzien van hen niet aan de zogenoemde onderhoudseis behoefde te voldoen.
Met ingang van 1 januari 2001 heeft de Svb zijn beleid op het punt van het voeren van één huishouden door een verzekerde met zijn in het land van herkomst achtergebleven gezinsleden aangescherpt. Volgens dit beleid komt aan het voortbestaan van het huishouden met de achtergebleven gezinsleden een einde op het moment waarop de betrokkene als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt, tenzij (voorzover hier van belang) ondubbelzinnig vaststaat dat betrokkene mede woonplaats in het land van herkomst heeft. Hiertoe is onder andere vereist dat de betrokkene feitelijk meer dan drie maanden per jaar in het land van herkomst verblijft.
De Svb heeft het aangescherpte beleid - na inachtneming van een overgangstermijn - vanaf het eerste kwartaal van 2003 op appellant toegepast. Bij primair besluit van 12 mei 2003 heeft de Svb over dit kwartaal kinderbijslag aan appellant geweigerd. Bij het bestreden besluit van 16 maart 2004 heeft de Svb de bezwaren van appellant tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. De Svb heeft hiertoe overwogen dat de kinderen van appellant niet tot het huishouden van appellant behoren omdat appellant niet ten minste drie maanden per jaar bij zijn gezin in Marokko verblijft. Voorts heeft appellant niet aangetoond, de kinderen in voornoemd kwartaal in belangrijke mate te hebben onderhouden
De rechtbank heeft het beroep van appellant onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad ongegrond verklaard.
In hoger beroep is tussen partijen niet in geschil dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden die de Svb thans stelt voor het aannemen van één huishouden, en dat appellant niet kan aantonen, in belangrijke mate in het onderhoud van zijn kinderen te hebben bijgedragen. Het hoger beroep beperkt zich tot de vraag of de in het beleid van de Svb gehanteerde "3-maanden eis" rechtens kan standhouden. Volgens appellant moet deze eis in strijd worden geacht met artikel 26 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, Trb. 1978, 177 (IVBPR) en artikel 14 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, Trb. 1951, 154; 1990, 156 (EVRM), nu zij alleen wordt gesteld aan verzekerden van buitenlandse herkomst, terwijl deze verzekerden veelal niet in staat zullen zijn, aan deze eis te voldoen.
De Raad heeft bij de ter zitting besproken uitspraak van 16 september 2005,
LJN AU3598, reeds opgemerkt dat artikel 7, eerste lid, van de AKW een onderscheid maakt tussen de situatie waarin de verzekerde met het kind samenwoont en de situatie waarin dat niet het geval is. Alleen in dat laatste geval wordt van een verzekerde verlangd dat hij aantoont of aannemelijk maakt - hetgeen in het eerste geval kennelijk wordt verondersteld - dat hij een bepaalde bijdrage levert in de onderhoudskosten van het kind. Door in dit verband voor een bepaalde groep verzekerden reeds het vormen van een huishouden van verzekerde en kind te aanvaarden, indien de verzekerde en het kind ten minste drie maanden per jaar feitelijk samenwonen, heeft de Svb naar het oordeel van de Raad een uitleg aan de wet gegeven die gebaseerd is op objectieve factoren die niets van doen hebben met een door de artikelen 26 van het IVBPR en 65 van de Euro-mediterrane overeenkomst EG-Marokko (verboden) onderscheid naar nationaliteit. De Raad heeft er in genoemde uitspraak tevens op gewezen dat het gewijzigde beleid er niet toe leidt dat de aanspraak op kinderbijslag aan appellant wordt ontzegd, maar dat hij moet voldoen aan andere voorwaarden om aanspraak op kinderbijslag te behouden.
De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen aanleiding om thans met het oog op artikel 14 van Pro het EVRM tot een ander oordeel te komen. Het hoger beroep kan derhalve niet slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2006.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) P.H. Broier.
GdJ