ECLI:NL:CRVB:2006:AX9584

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-6383 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens overschrijding termijn AOW-uitkering

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) waarin de toekenning van een AOW-uitkering werd geweigerd omdat niet was aangetoond dat appellant verzekerd was geweest. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de beroepstermijn. Appellant stelde dit in hoger beroep ter discussie.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de rechtbank onvoldoende zorgvuldig had gehandeld door partijen niet vooraf de gelegenheid te geven hun standpunt over de ontvankelijkheid kenbaar te maken, wat volgens de Raad wel vereist is uit oogpunt van behoorlijke procesorde. Desondanks kon het hoger beroep niet slagen omdat appellant niet tijdig beroep had ingesteld en geen omstandigheden had aangevoerd die het verzuim konden rechtvaardigen.

De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat geen gronden aanwezig waren voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb. De beslissing werd genomen door voorzitter T.L. de Vries en uitgesproken op 23 juni 2006.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

05/6383 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko) (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2005, 04/933 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb),
Datum uitspraak: 23 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 mei 2006. Appellant is daar niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank in werking getreden. Thans oefent de Svb de taken en bevoegdheden uit die tot genoemde datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder de Svb tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.
Bij beslissing op bezwaar van 12 januari 2004 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Svb zijn besluit van 29 mei 2002 gehandhaafd, waarbij geweigerd is een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) aan appellant toe te kennen, omdat niet is gebleken dat appellant verzekerd is geweest ingevolge die wet.
Bij brief van 27 februari 2004, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 4 maart 2004, heeft appellant beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroepschrift niet tijdig is ingediend en niet gebleken is van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Appellant heeft dit oordeel in hoger beroep betwist.
De Raad overweegt het volgende.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het beroep van appellant niet is ingesteld binnen de in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde termijn van zes weken, na de bekendmaking van het bestreden besluit op
12 januari 2004 door verzending aan appellant en zijn toenmalige gemachtigde, welke eindigde op 23 februari 2004. Nu het beroepschrift niet voor het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd, maar kennelijk eerst op 27 februari 2004, is artikel 6:9 van Pro de Awb in dit geval niet van toepassing.
Met betrekking tot de vraag of op grond van artikel 6:11 van Pro de Awb niet-ontvankelijkverklaring van het beroep achterwege had moeten blijven is de Raad van oordeel dat de rechtbank niet voldoende zorgvuldig heeft gehandeld. Zoals de Raad al eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 11 oktober 1994, LJN ZB0889, behoort de rechter partijen uit een oogpunt van behoorlijke procesorde niet onverhoeds te overvallen met een niet-ontvankelijkverklaring. Het behoort weliswaar tot de taak van de rechter om zich met betrekking tot de ontvankelijkheid een eigen oordeel te vormen en naar eigen inzicht dienaangaande te beslissen, doch hij behoort daartoe niet over te gaan zonder partijen in enig stadium van de procedure in de gelegenheid te hebben gesteld hun standpunt dienaangaande kenbaar te maken.
De Raad heeft geen aanleiding gevonden de aangevallen uitspraak wegens deze schending van de goede procesorde te vernietigen, en het geschil terug te wijzen naar de rechtbank, nu appellant na kennisneming van de aangevallen uitspraak in hoger beroep geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd welke bij de beoordeling van de toepassing van
artikel 6:11 van Pro de Awb van belang zouden kunnen zijn.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.F. van Moorst als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2006.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) M.F. van Moorst.
III. DÉCISION
La Centrale Raad van Beroep (Cour d'Appel Centrale),
statue:
confirme la décision attaquée.
Par conséquent, décidée par M. le maître T.L. de Vries en présence de le maître M.F. van Moorst en qualité de greffier, ainsi que prononcée en public, le 23 juin 2006.