ECLI:NL:CRVB:2006:AX9723

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-194 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om herziening van eerdere uitspraak inzake uitkeringen vervolgingsslachtoffers

In deze zaak heeft verzoeker een verzoek om herziening ingediend tegen de uitspraak van de Raad van 21 augustus 2003, waarin zijn beroep ongegrond werd verklaard. Het verzoek om herziening is ingediend naar aanleiding van een berekeningsbeschikking van 31 maart 2002, waarbij de korting op de periodieke uitkering van verzoeker wegens inkomsten uit eigen bedrijf over het kalenderjaar 1999 definitief werd vastgesteld. Verzoeker stelt dat de oprichtingsdatum van zijn vennootschap onder firma onjuist is weergegeven in het Handelsregister en dat de Belastingdienst om formele redenen zijn aandeel in de winst niet opnieuw heeft vastgesteld, hoewel er wel een herberekening heeft plaatsgevonden.

De Centrale Raad van Beroep overweegt dat het rechtsmiddel van herziening enkel kan worden ingeroepen op basis van nieuwe feiten of omstandigheden. De Raad concludeert dat verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangedragen die niet eerder aan de orde zijn geweest in de eerdere procedure. De argumenten van verzoeker zijn reeds eerder besproken of hadden in de eerdere procedure naar voren gebracht kunnen worden. De Raad stelt vast dat verzoeker door zijn toenmalige gemachtigde niet op de hoogte is gesteld van de zitting, maar dat dit voor zijn eigen rekening en risico komt.

De Raad wijst het verzoek om herziening af, omdat er geen grond is voor herziening van de eerdere uitspraak. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep, met G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en R. Kooper als leden, en is openbaar uitgesproken op 22 juni 2006.

Uitspraak

06/194 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 17 van de Beroepswet op het verzoek van:
[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker)
om herziening van de uitspraak van de Raad van 21 augustus 2003, 02/5963 WUV,
in het geding tussen:
verzoeker
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 22 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft een verzoek om herziening ingediend.
Verweerster heeft een verweerschrift ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2006. Verzoeker is in persoon verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Bij berekeningsbeschikking van 31 maart 2002 heeft verweerster - voorzover hier van belang - ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 de op de aan verzoeker toegekende periodieke uitkering toegepaste korting wegens inkomsten uit eigen bedrijf over het kalenderjaar 1999 definitief vastgesteld.
Bij besluit van 25 oktober 2002 heeft verweerster die vaststelling, na daartegen gemaakt bezwaar, gehandhaafd.
Bij uitspraak van 21 augustus 2003, nr. 02/5963 WUV, heeft de Raad het beroep van verzoeker ongegrond verklaard.
Verzoeker wenst herziening van die uitspraak. Daartoe heeft hij aangevoerd - kort samengevat - dat hij zijn bedrijf reeds in 1999 uitoefende in de rechtsvorm van een vennootschap onder firma met zijn echtgenote, dat de oprichtingsdatum van deze vennootschap onjuist is weergegeven in uittreksels uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken, hetgeen door die Kamer schriftelijk is erkend, alsmede dat de Belastingdienst uitsluitend om formele en praktische redenen heeft nagelaten zijn aandeel in de winst van de vennootschap opnieuw vast te stellen doch wel een herberekening van dat aandeel heeft gemaakt.
Omtrent dit verzoek om herziening overweegt de Raad als volgt.
Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 17, eerste lid, van de Beroepswet kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad, op verzoek van een partij, worden herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervóór bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.
Nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb zijn niet naar voren gekomen. Hetgeen verzoeker ter ondersteuning van het verzoek om herziening heeft aangevoerd is reeds (in essentie) aan de orde geweest in de procedure die tot de uitspraak van 21 augustus 2003 heeft geleid of had in die procedure aan de orde kunnen worden gesteld. Dat verzoeker door zijn toenmalige gemachtigde niet op de hoogte is gesteld van de behandeling van zijn beroep ter zitting van de Raad, waardoor hij die zitting niet in persoon heeft kunnen bijwonen en hij niet in de gelegenheid is geweest om zelf aan de Raad een nadere toelichting te verstrekken, moet voor rekening en risico van verzoeker worden gelaten. Hetzelfde geldt voor hetgeen de toenmalige gemachtigde mocht hebben nagelaten in beroep naar voren te brengen.
Voor herziening van de uitspraak van 21 augustus 2003 is dan ook geen plaats. Het daartoe strekkende verzoek dient te worden afgewezen.
Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2006.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) E. Heemsbergen.
HD
18.05