ECLI:NL:CRVB:2006:AX9743
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek herziening erkenning burger-oorlogsslachtoffer op grond van onvoldoende nieuwe feiten
Appellant, geboren in 1943 in voormalig Nederlands-Indië, verzocht in 2001 om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer op grond van ervaringen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode. Dit verzoek werd in 2002 afgewezen wegens onvoldoende bevestiging van de door appellant gestelde oorlogsgebeurtenissen.
Na meerdere verzoeken om herziening, waarbij appellant aanvullende verklaringen en verwijzingen naar familiegegevens aanvoerde, bleef verweerster bij haar afwijzing. De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellant, mede gezien zijn jonge leeftijd destijds, onvoldoende werden ondersteund door objectieve gegevens en dat de nieuwe feiten niet relevant of voldoende waren om het eerdere besluit te herzien.
De Raad overwoog dat betrokkenheid bij oorlogsgeweld als bedoeld in artikel 2 van Pro de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 primair moet worden vastgesteld alvorens medische gevolgen in aanmerking komen. De getuigenverklaring van appellants broer werd als onvoldoende bewijs beoordeeld, mede omdat de gebeurtenissen buiten de door de Wet bestreken periode vielen.
De Raad concludeerde dat het bestreden besluit standhoudt en verklaarde het beroep ongegrond. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen het afwijzen van het verzoek tot herziening van erkenning als burger-oorlogsslachtoffer wordt ongegrond verklaard.