ECLI:NL:CRVB:2006:AY0110
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen terugvordering teveel betaalde WUV-uitkering
Appellant ontving vanaf 1 februari 1999 een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Verweerster stelde bij een berekeningsbeschikking van 31 januari 2005 de uitkering over een deel van 2003 voorlopig bij, omdat was geconstateerd dat appellant over die periode € 3.156,03 te veel had ontvangen. Dit bedrag werd toegevoegd aan eerdere vastgestelde teveel-betalingen.
Appellant maakte bezwaar tegen deze terugvordering, maar verweerster verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk voor zover het betrekking had op het jaar 1999 en ongegrond voor het overige. In beroep stelde appellant met name vragen bij de vaststelling van het teveel betaalde bedrag over het startjaar 1999. De Raad overwoog dat eerdere uitspraken over de jaren 1999 tot en met 2002 onherroepelijk zijn en buiten het huidige geding vallen, waardoor het bezwaar voor die jaren niet-ontvankelijk is.
Verder oordeelde de Raad dat de voorlopige vaststelling over 2003 slechts een informatieve mededeling is en geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, zodat terugvordering alleen mogelijk is bij definitieve vaststelling. Het beroep van appellant werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de terugvordering van teveel betaalde WUV-uitkering wordt ongegrond verklaard.