ECLI:NL:CRVB:2006:AY0110

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-4171 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • G.L.M.J. Stevens
  • H.R. Geerling-Brouwer
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:75 AwbArt. 59a WUVArt. 61 WUV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen terugvordering teveel betaalde WUV-uitkering

Appellant ontving vanaf 1 februari 1999 een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV). Verweerster stelde bij een berekeningsbeschikking van 31 januari 2005 de uitkering over een deel van 2003 voorlopig bij, omdat was geconstateerd dat appellant over die periode € 3.156,03 te veel had ontvangen. Dit bedrag werd toegevoegd aan eerdere vastgestelde teveel-betalingen.

Appellant maakte bezwaar tegen deze terugvordering, maar verweerster verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk voor zover het betrekking had op het jaar 1999 en ongegrond voor het overige. In beroep stelde appellant met name vragen bij de vaststelling van het teveel betaalde bedrag over het startjaar 1999. De Raad overwoog dat eerdere uitspraken over de jaren 1999 tot en met 2002 onherroepelijk zijn en buiten het huidige geding vallen, waardoor het bezwaar voor die jaren niet-ontvankelijk is.

Verder oordeelde de Raad dat de voorlopige vaststelling over 2003 slechts een informatieve mededeling is en geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, zodat terugvordering alleen mogelijk is bij definitieve vaststelling. Het beroep van appellant werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de terugvordering van teveel betaalde WUV-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

05/4171 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 22 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het door verweerster ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wet) genomen besluit van 14 juni 2005, kenmerk: BZ 45330/JZ/L80/2005 (hierna: bestreden besluit).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 mei 2006. Appellant is in persoon verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Appellant ontvangt ingaande 1 februari 1999 een periodieke uitkering op grond van de Wet. Bij berekeningsbeschikking van 31 januari 2005 heeft verweerster, naar aanleiding van een herberekening van de WAZ-uitkering van appellant over de periode 1 januari 2003 tot 1 oktober 2003, die periodieke uitkering over dezelfde periode voorlopig bijgesteld. Daarbij is geconstateerd dat over deze periode een bedrag van € 3.156,03 teveel aan appellant is uitbetaald, welk bedrag - eveneens voorlopig - is toegevoegd aan bij eerdere besluiten over eerdere perioden berekende teveel-betalingen.
Appellant heeft bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard voorzover het is gericht tegen de berekening over het jaar 1999 en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.
Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.
De berekeningsbeschikking van 31 januari 2005 strekte tot hernieuwde voorlopige vaststelling van de periodieke uitkering over (een gedeelte van) het jaar 2003. In bezwaar en beroep is niet aangevoerd dat deze hernieuwde vaststelling op zichzelf onjuist zou zijn. Als vaststaand moet derhalve worden aangenomen dat zij bij het bestreden besluit terecht is gehandhaafd.
De bezwaren van appellant zijn in wezen gericht tegen de berekening van het bedrag dat hem sedert 1999 per saldo teveel is uitbetaald, zoals dit saldo door verweerster telkens op de achtereenvolgende berekeningsbeschikkingen wordt bijgehouden. Meer in het bijzonder heeft appellant problemen met de vaststelling van het (teveel betaalde) bedrag van de periodieke uitkering over het "startjaar" 1999.
De Raad overweegt dienaangaande, dat omtrent het bedrag van de uitkering over de jaren 1999 tot en met 2002 reeds eerder is beslist. Die beslissingen vallen buiten de omvang van het onderhavige geding en zijn in rechte onaantastbaar geworden. De Raad wijst met name op zijn uitspraak van 21 augustus 2003, nr. 02/5963 WUV, betrekking hebbende op het jaar 1999, alsmede op zijn uitspraak van heden, nr. 06/194 WUV, waarbij het verzoek van appellant om herziening van die eerdere uitspraak is afgewezen. Terecht is verweerster tot het oordeel gekomen dat het bezwaar van appellant in zoverre - in het bijzonder voorzover het betrekking heeft op het jaar 1999 - niet-ontvankelijk is. Voor appellant staat hoogstens de weg open van een tot verweerster te richten verzoek om herziening op grond van artikel 61 van Pro de Wet.
Voorts kan, nu de berekeningsbeslissing van 31 januari 2005 slechts een voorlopige vaststelling over het jaar 2003 behelst, hetgeen daarin is vermeld omtrent het teveel betaalde bedrag van de uitkering niet anders worden aangemerkt dan als een mededeling van informatieve aard, die geen besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) oplevert. Gelet op het bepaalde in artikel 59a van de Wet kan van terugvordering of verrekening - en daarmee van een besluit waartegen bezwaar en beroep open staat - slechts sprake zijn in geval van een definitieve vaststelling.
De door appellant in beroep naar voren gebrachte argumenten kunnen dus geen doel treffen. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door G.L.M.J. Stevens als voorzitter en H.R. Geerling-Brouwer en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2006.
(get.) G.L.M.J. Stevens.
(get.) E. Heemsbergen.