ECLI:NL:CRVB:2006:AY0136
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als vervolgingsslachtoffer wegens ontbreken vrijheidsberoving
Appellante, geboren in 1936 in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Zij stelde dat haar vader was gemarteld en overleden tijdens de Japanse bezetting en dat zijzelf met haar gezin was geïnterneerd in een kamp in Bula te Ambon. Verweerster wees de aanvraag af omdat niet kon worden vastgesteld dat appellante vervolging in de zin van de Wet had ondergaan.
De Raad onderzocht de beschikbare archieven, waaronder kampenlijsten en dossiers van familieleden, maar vond geen objectieve gegevens die de opsluiting van appellante in een kamp bevestigen. Hoewel de Raad erkent dat appellante zware beproevingen heeft doorgemaakt, biedt de Wet geen grond voor erkenning zonder vastgestelde vrijheidsberoving zoals omschreven in artikel 2 van Pro de Wet.
Verder oordeelde de Raad dat appellante niet kan worden gelijkgesteld met een vervolgingsslachtoffer op grond van artikel 3, tweede lid, omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 2 en Pro artikel 3, eerste lid. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt gehandhaafd.