ECLI:NL:CRVB:2006:AY0432
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Wajong-uitkering wegens voldoende arbeidsvermogen ondanks doofheid
Appellante, sinds haar geboorte volledig doof, ontving vanaf 1998 een Wajong-uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling in 2003 door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige werd geconcludeerd dat zij geschikt is voor diverse functies waarbij rekening is gehouden met haar gehoorbeperkingen en dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedraagt.
Het UWV trok daarop haar uitkering per 27 mei 2003 in, wat appellante betwistte met het argument dat zij begeleiding nodig heeft op de werkplek en dat werkgevers dit niet zonder meer kunnen bieden. Ook stelde zij dat bepaalde functies gevaarlijk zijn vanwege haar doofheid en dat eerdere pogingen tot werken mislukten door communicatieproblemen en psychische klachten.
De Raad stelde vast dat de medische rapporten voldoende rekening hielden met haar beperkingen en dat de arbeidsdeskundige had toegelicht dat passende functies beschikbaar zijn, waarbij communicatie vooral schriftelijk plaatsvindt en werkvoorzieningen zoals doventolken mogelijk zijn. Het beroep van appellante werd ongegrond verklaard en de intrekking van de uitkering bevestigd.
De Raad achtte het verlies aan verdiencapaciteit minder dan 25%, waardoor de intrekking van de Wajong-uitkering terecht was. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling. De uitspraak van de rechtbank Breda werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de Wajong-uitkering van appellante wordt bevestigd omdat zij geschikt is voor passende functies met minder dan 25% arbeidsongeschiktheid.