AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens niet meewerken aan heronderzoek arbeidsinschakeling
Verzoeker ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn heeft het recht op bijstand van verzoeker opgeschort en vervolgens ingetrokken omdat verzoeker niet is verschenen op een heronderzoeksgesprek gericht op arbeidsinschakeling. Verzoeker maakte geen bezwaar tegen het opschortingsbesluit en verscheen ook niet op de nieuwe uitnodiging voor het heronderzoek.
De voorzieningenrechter van de rechtbank verklaarde het beroep van verzoeker tegen de intrekkingsbesluiten ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Verzoeker ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het College in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot intrekking van de bijstand op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB.
De Raad stelt vast dat verzoeker verwijtbaar heeft gehandeld door niet te verschijnen op de heronderzoeksgesprekken, ondanks de mogelijkheid om het verzuim te herstellen. Ook de door verzoeker aangevoerde verstoorde relatie met de bijstandsmedewerker en het ontbreken van bezwaar tegen het opschortingsbesluit leiden niet tot een ander oordeel. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitspraak
06/2033 WWB-VV
06/2032 WWB
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in de artikelen 8:84, tweede lid, en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 vanPro de Beroepswet naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening van:
[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 17 maart 2006, 05/2112 en 06/294 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn (hierna: het College)
Datum uitspraak: 4 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg. nr. 05/5081 ABW plaatsgevonden op 20 juni 2006. Verzoeker is verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door P.C. Maassen van den Brink- Jager, werkzaam bij de gemeente Apeldoorn. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:81 vanPro de Awb en artikel 21 vanPro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Ingevolge artikel 8:86 vanPro de Awb en artikel 21 vanPro de Beroepswet kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningen
rechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verzoeker ontving bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
Bij besluit van 12 oktober 2005 heeft het College het recht op bijstand van verzoeker met ingang van 5 oktober 2005 opgeschort op de grond dat verzoeker op die datum niet is verschenen op de uitnodiging voor een heronderzoeksgesprek over zijn verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling.
Tegen dit besluit heeft verzoeker geen bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft het College het recht op bijstand van verzoeker met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 5 oktober 2005 ingetrokken.
Bij besluit van 27 januari 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 27 oktober 2005 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het besluit van 27 januari 2006 ongegrond verklaard en het verzoek om toewijzing van een voorlopige voorziening afgewezen.
Verzoeker heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd, voorzover daarbij zijn beroep ongegrond is verklaard.
De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat in het geval de belanghebbende het verzuim, dat heeft geleid tot een schorsing van de uitkering, niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.
In zijn besluit van 12 oktober 2005 heeft het College verzoeker in de gelegenheid gesteld het verzuim te herstellen door te verschijnen op de afspraak voor een heronderzoek op 20 oktober 2005 en op deze wijze alsnog mee te werken aan het onderzoek gericht op de arbeidsinschakeling. Vaststaat dat verzoeker ook naar aanleiding van deze uitnodiging niet is verschenen. Deze gedraging acht de voorzieningenrechter verwijtbaar. De door verzoeker aangevoerde omstandigheid dat de relatie tussen hem en de hem door het College toegewezen bijstandsmedewerker is verstoord, nadat een eerder verzoek om een heronderzoeksgesprek te verzetten uiteindelijk heeft geleid tot een verlaging van zijn uitkering, leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. Ook de omstandigheid dat verzoeker, zoals hij nog heeft aangevoerd, vanwege een inschattingsfout geen bezwaar heeft gemaakt tegen het opschortingsbesluit, maakt dit niet anders.
Met het voorgaande is gegeven dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB is voldaan. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen door verzoeker is aangevoerd geen grond om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking van het recht op bijstand gebruik heeft kunnen maken.
De aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
Voor het treffen van een voorlopige voorziening bestaat onder die omstandigheden geen aanleiding.
De voorzieningenrechter ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
in de hoofdzaak:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
op het verzoek om een voorlopige voorziening:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2006.