ECLI:NL:CRVB:2006:AY1708

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-5842 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.R. Geerling-Brouwer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 3, tweede lid Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vergoeding reiskosten Indonesië wegens ontbreken psychotherapeutisch behandelplan

Appellant, geboren in 1947 in het voormalige Nederlands-Indië, is op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 gelijkgesteld met een vervolgde en ontvangt een periodieke uitkering. In april 2005 diende hij een vervolgaanvraag in voor vergoeding van kosten van een reis naar Indonesië, bedoeld om rust te vinden en zijn geboorteplaats en het graf van zijn vader te bezoeken.

De Pensioen- en Uitkeringsraad wees deze aanvraag af omdat de reis niet onderdeel was van een psychotherapeutisch behandelplan, zoals vereist voor vergoeding. De Raad stelde vast dat appellant niet onder behandeling was voor zijn psychische klachten en dat de reis niet het eindpunt was van een therapeutisch proces.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze afwijzing en oordeelde dat de medische verklaring die appellant later indiende niet in de beoordeling kon worden betrokken omdat deze na het bestreden besluit was opgesteld. De Raad wees het beroep af en liet het besluit in stand zonder toekenning van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de vergoeding voor de reis naar Indonesië wordt geweigerd.

Uitspraak

05/5842 WUV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 29 juni 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 31 augustus 2005, kenmerk JZ/R70/2005, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2006. Daar is appellant, zoals aangekondigd, niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
Blijkens de gedingstukken is appellant, geboren in 1947 in het voormalige Nederlands-Indië, bij besluit van 27 maart 1995 op grond van artikel 3, tweede lid (oud) van de Wet gelijkgesteld met de vervolgde en in aanmerking gebracht voor - onder meer - een periodieke uitkering. In dat verband heeft verweerster aanvaard dat de bij appellant bestaande psychische klachten in overwegende mate verband houden met de vervolgingsgevolgen van zijn moeder.
In april 2005 heeft appellant bij verweerster een vervolgaanvraag ingediend om toekenning van - voor zover hier van belang - een vergoeding ter zake van de kosten verbonden aan een reis naar Indonesië, dit om rust in zijn leven te vinden. Appellant heeft in dat verband aangegeven dat hij die reis wenst te maken in verband met het bezoeken van zijn geboorteplaats en het graf van zijn vader.
Verweerster heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 12 juli 2005, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de - aan medische adviezen ontleende - grond dat de reis niet plaatsvindt ter afronding van een psychotherapeutische behandeling.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door appellant in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Dienaangaande overweegt de Raad als volgt.
Gezien de aard van de gevraagde voorziening acht verweerster een vergoeding op grond van artikel 20 van Pro de Wet slechts mogelijk indien voor de reis een strikt medische noodzaak aanwezig is. Een dergelijke noodzaak acht verweerster slechts aanwezig indien wordt voldaan aan richtlijnen die zij hanteert ten aanzien van therapeutische reizen, te weten:
a. er is sprake van onverwerkt verdriet, onverwerkte rouw en/of gevoelens van machteloosheid en vernedering die het leven ziekelijk beïnvloeden, en
b. het bezoek dient als (hiërarchisch) eindpunt van een therapeutisch behandelproces, en
c. er is voorafgaande aan de reis een behandelplan, en
d. na afloop van de reis vindt een evaluatie plaats.
De Raad heeft reeds meermalen uitgesproken een dergelijke benadering van verweerster, gelet op de aard van de gevraagde voorziening en de daarmee gemoeide kosten, in zijn algemeenheid niet onjuist of onredelijk te achten.
Op grond van de voorhanden gegevens, waaronder het door appellant ingevulde vragenformulier, stelt de Raad vast dat niet is gesteld noch is gebleken dat appellant ten tijde hier van belang vanwege zijn psychische klachten onder behandeling was, zodat al geen sprake is van een reis die plaatsvindt in het kader van een psychotherapeutisch behandelplan.
Naar oordeel van de Raad is dan ook niet voldaan aan de voor de toekenning van de gevraagde voorziening door verweerster gestelde vereisten. Verweerster heeft dan ook terecht en op goede gronden geweigerd appellant ingevolge de Wet een vergoeding voor de onderwerpelijke reis te verlenen.
De in beroep nog ingezonden verklaring d.d. 19 april 2006 van de psychiater H.P. den Daas beschrijft een ná de datum van het bestreden besluit ingetreden nieuwe ontwikkeling en kan om die reden niet in de beoordeling worden betrokken. Het staat appellant vrij om terzake bij verweerster een nieuwe aanvraag in te dienen.
Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het bestreden besluit geen grond, zodat dit besluit in rechte kan standhouden.
De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H.R. Geerling-Brouwer. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2006.
(get.) H.R. Geerling-Brouwer.
(get.) J.P. Schieveen.
HD
24.05