ECLI:NL:CRVB:2006:AY1996
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Weigering gelijkstelling vervolgingsslachtoffer wegens ontbreken vrijheidsberoving tijdens Japanse bezetting
Appellant, geboren in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat hij tijdens de Japanse bezetting met zijn familie in interneringskampen heeft verbleven.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat niet was vastgesteld dat appellant vrijheidsberoving had ondergaan zoals vereist volgens de Wet. De Raad voerde aan dat geen objectieve gegevens, zoals vermeld in erkende bronnen en dossiers, de stelling van appellant bevestigen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de weigering om appellant niet met de vervolgde gelijk te stellen, terecht was omdat niet voldaan was aan de voorwaarden van artikel 2 en Pro 3 van de Wet. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt gehandhaafd.