ECLI:NL:CRVB:2006:AY2035
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Weigering gelijkstelling vervolgingsslachtoffer wegens ontbreken objectieve gegevens vrijheidsberoving
Appellant, geboren in het voormalige Nederlands-Indië, verzocht om een uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Hij stelde dat hij tijdens de Japanse bezetting samen met zijn familie in interneringskampen heeft verbleven.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees de aanvraag af omdat niet was vastgesteld dat appellant vrijheidsberoving in de zin van de Wet had ondergaan. De Raad voerde aan dat de beschikbare bronnen, zoals de Kampenlijst/Beekhuis en NRK-lijsten, geen bevestiging gaven van verblijf van appellant in een interneringskamp.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de weigering om appellant met de vervolgde gelijk te stellen terecht was, omdat niet was voldaan aan de vereisten van artikel 2 en Pro 3 van de Wet. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit wordt gehandhaafd.