ECLI:NL:CRVB:2006:AY3568

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-2535 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • M.S.E. Wulffraat-van Dijk
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-betaling griffierecht in hoger beroep WAO afgewezen

Appellant heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep die zijn hoger beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat het griffierecht niet tijdig was betaald. De Raad heeft onderzocht of de overschrijding van de verzetstermijn verschoonbaar was en oordeelde dat dit het geval was op grond van een medische verklaring van de huisarts.

Desondanks heeft de Raad geoordeeld dat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in staat was het griffierecht te betalen. De slechte gezondheid en financiële situatie van appellant bieden volgens de Raad geen voldoende grond om het niet-betalen te verontschuldigen.

Op basis van deze overwegingen heeft de Centrale Raad van Beroep het verzet ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring gehandhaafd. Het Uwv was bij de zitting niet vertegenwoordigd. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 juli 2006.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring wegens niet-betaling van het griffierecht is ongegrond verklaard.

Uitspraak

05/2535 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 15 maart 2005, 03/2833 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 5 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 25 oktober 2005 heeft de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 25 oktober 2005 heeft appellant verzet gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2006. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad dient in de eerste plaats te beoordelen of appellant ontvankelijk is in zijn verzet aangezien hij de verzetstermijn heeft overschreden.
Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft appellant een verklaring van zijn huisarts drs. F. van der Pluijm te Eindhoven overgelegd waarin deze verklaart dat appellant in de periode oktober/november 2005 dusdanig problemen had met zijn gezondheid dat hij niet in staat was tijdig te reageren.
Gezien het vorenstaande bestaat er aanleiding de overschrijding van de verzetstermijn verschoonbaar te achten.
Vervolgens dient de Raad de vraag te beantwoorden of het hoger beroep bij zijn uitspraak van 25 oktober 2005 terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De uitspraak van de Raad van 25 oktober 2005 berust hierop, dat het griffierecht niet binnen de door de Raad gestelde termijn is betaald.
In het verzetschrift en ter zitting heeft appellant aangevoerd dat het voor hem vanwege zijn slechte gezondheid en moeilijke financiële situatie niet mogelijk was het verschuldigde griffierecht tijdig te betalen.
De Raad is van oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring terecht is geschied. In hetgeen door appellant is aangevoerd, is naar het oordeel van de Raad geen grond gelegen voor het oordeel dat hem ter zake van het verzuim redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt. De Raad overweegt daartoe dat appellant niet heeft aangetoond noch aannemelijk heeft gemaakt dat hij geheel niet in staat was het griffierecht te betalen.
Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.J. Janssen.