ECLI:NL:CRVB:2006:AY3595

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-2718 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:69 AwbArt. 8:75 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenInvoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herbeoordeling WAO-uitkering ondanks betwisting arbeidsongeschiktheid

Appellant, sinds 1993 WAO-uitkeringsgerechtigde, betwistte de herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid door het UWV, stellende dat hij volledig arbeidsongeschikt is vanwege pijn-, concentratie- en vermoeidheidsklachten. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellant geschikt was voor arbeid gedurende zes uur per dag met een verlies aan verdienvermogen van 45 tot 55%.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren en voegde toe dat de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte concludeerde dat hij meer dan zes uur per dag zou kunnen werken. De Centrale Raad van Beroep toetste het oordeel van de rechtbank en vond geen aanleiding om het besluit te vernietigen. De Raad stelde vast dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de bezwaarverzekeringsarts beschikte over uitgebreide medische rapporten, waaronder van specialisten en verzekeringsartsen.

De Raad concludeerde dat er geen nieuwe medische informatie was die de stelling van appellant ondersteunde dat hij volledig arbeidsongeschikt zou zijn. Ook de door appellant aangevoerde brieven van een reumatoloog waren reeds betrokken bij de beoordeling. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV dat de mate van arbeidsongeschiktheid juist was vastgesteld.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet volledig arbeidsongeschikt is en handhaaft de herbeoordeling van de WAO-uitkering op 45-55%.

Uitspraak

04/2718 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 april 2004, 03/2783 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv),
Datum uitspraak: 4 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.A. Platteeuw, advocaat te Middelburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 mei 2006.
Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde. Het Uwv is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.
Appellant ontvangt sedert 23 maart 1993 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Vanaf 1 oktober 1993 werd deze berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, hetgeen is gebaseerd op de overweging dat appellant geschikt was voor het verrichten van zijn eigen arbeid als programmeur gedurende zes uur per dag.
Op 5 maart 1997 heeft appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Bij besluit van 14 juli 2000 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat zijn WAO-uitkering niet wordt verhoogd, omdat zijn arbeidsongeschiktheid per 5 maart 1997 niet is toegenomen. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 31 mei 1999, dat is genomen in het kader van de herbeoordeling van het recht op arbeidsonge- schiktheidsuitkering na vijf jaar, heeft het Uwv appellant medegedeeld dat zijn uitkering per 1 juni 1999 ongewijzigd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Ook tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 9 september 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen zowel het besluit van 14 juli 2000 als het besluit van 31 mei 1999 gegrond verklaard en beslist dat de uitkering van appellant vanaf
5 maart 1997 wordt herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Daaraan ligt de overweging ten grondslag dat appellant zowel op en na 5 maart 1997 als per 1 juni 1999 in staat was tot het verrichten van gangbare arbeid gedurende maximaal zes uur per dag.
Appellant heeft beroep bij de rechtbank ingesteld. Daarbij heeft hij in hoofdzaak aangevoerd dat de medische beoordeling onzorgvuldig en onjuist is geweest en dat hij volledig arbeidsongeschikt moet worden geacht op grond van pijn-, concentratie- en vermoeidheidsklachten.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft geen reden gezien het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig te achten. Evenmin heeft de rechtbank aanleiding gezien de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde beperkingen voor onjuist te houden. Zij neemt daarbij onder meer in aanmerking dat de bezwaarverzekeringsarts bij het vormen van haar oordeel informatie uit de behandelend sector tot haar beschikking had, in het bijzonder de informatie uit de eerste helft van 1999 van de specialisten Joosten en De Rijk-van Andel, waaruit niet is gebleken van duidelijke objectiveerbare afwijkingen op orthopedisch of neurologisch gebied. De rechtbank is tevens van oordeel dat appellant in staat moet worden geacht de aan hem voorgehouden functies te vervullen en dat het verlies aan verdienvermogen op de juiste wijze is geschat op 45 tot 55%.
In hoger beroep heeft appellant zijn eerder aangevoerde grieven herhaald en daar aan toegevoegd dat de bezwaarverzekeringsarts H.M.Th. Offermans, die op 2 maart 2006 heeft gerapporteerd naar aanleiding van vragen van de Raad, ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat appellant gedurende zelfs nog meer dan zes uren per dag zou kunnen werken. Appellant blijft van mening dat hij op de in geding zijnde data en ook thans nog volledig arbeidsongeschikt is.
Het gaat in dit geding om de vraag of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad, zich in het licht van artikel 8:69 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beperkend tot de grieven van appellant, beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank.
Allereerst wijst de Raad er, evenals de rechtbank, op dat de bezwaarverzekeringsarts S. van Dam-Horowitz niet is betrokken bij de voorbereiding van de primaire besluiten. De omstandigheid dat zulks mogelijk anders is geweest bij latere besluitvorming is voor het onderhavige geding niet relevant. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat de bestreden besluiten op een onzorgvuldige wijze zijn voorbereid.
Ook aan de Raad is niet kunnen blijken dat het door de bezwaarverzekeringsarts S. van Dam-Horowitz op 15 januari 2003 opgestelde belastbaarheidspatroon van appellant geen juiste weergave vormt van de bij hem op 5 maart 1997 en op 1 juni 1999 bestaande medische beperkingen. De Raad overweegt dat Van Dam-Horowitz blijkens haar rapportage van 15 januari 2003 kon beschikken over de rapportages van 20 juni 1996 en van 26 mei 1999 van de primair verzekeringsgeneeskundigen H.G. van Loon, respectievelijk S. Keer, die zijn opgesteld in het kader van de beoordeling van de gezondheidstoestand van appellant op de in geding zijnde data alsmede informatie uit de behandelend sector. Aansluitend aan de hoorzitting van
11 augustus 2003 heeft Van Dam-Horowitz appellant onderzocht. In haar rapportage van 11 augustus 2003 heeft zij haar onderzoeksbevindingen weergegeven en de beschikbare medische informatie besproken. Zij is tot de conclusie gekomen dat noch de verzekeringsartsen noch de diverse specialisten die appellant hebben onderzocht zodanig ernstige afwijkingen hebben gevonden dat op grond daarvan geconcludeerd zou moeten worden dat appellant volledig arbeidsongeschikt is.
Van de kant van appellant is geen medische informatie ingebracht die aanknopingspunten biedt voor zijn eigen mening met betrekking tot zijn gezondheidstoestand op de in geding zijnde data of daarop een nieuw licht werpt. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting nogmaals gewezen op de brieven van 23 augustus 1993, 15 november 1993 en
18 december 1997 van de reumatoloog De Sonnaville, waarin naar zijn mening wel degelijk afwijkingen worden geobjectiveerd, maar de Raad merkt op dat ook deze brieven door Van Dam-Horowitz in haar beoordeling zijn betrokken. Concluderend heeft de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant verdergaande medische beperkingen zou kunnen hebben dan van de zijde van het Uwv is aangenomen. Hij ziet dan ook geen reden te voldoen aan het verzoek van de gemachtigde van appellant om een deskundige om advies te vragen.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas, voorzitter, en R.C. Stam en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.S.G. Staal.