ECLI:NL:CRVB:2006:AY3773
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante, geboren in 1937, ontving vanaf 1 februari 2002 een AOW-pensioen naar de norm voor ongehuwden. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde na onderzoek vast dat appellante met betrokkene een gezamenlijke huishouding voert, zoals bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW. Dit leidde tot herziening van haar AOW-uitkering per 1 januari 2003 naar de norm voor ongehuwden die een gezamenlijke huishouding voeren.
Appellante voerde bezwaar aan tegen dit besluit, maar zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep verklaarden dit bezwaar ongegrond. De Raad baseert zich op objectieve criteria, waaronder het feit dat appellante haar hoofdverblijf had in de woning van betrokkene, gezamenlijke kosten voor boodschappen en maaltijden, gezamenlijke activiteiten zoals uitgaan en vakantie, en het ontbreken van een schriftelijk huurcontract of betalingsbewijzen voor de kamerhuur.
De Raad concludeert dat de relatie tussen appellante en betrokkene verder gaat dan een louter zakelijke huurrelatie en dat er sprake is van wederzijdse zorg. Hierdoor is appellante vanaf 1 januari 2003 niet langer gerechtigd tot een AOW-uitkering naar de norm voor ongehuwden. Het hoger beroep wordt verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de herziening van de AOW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding bevestigd.