ECLI:NL:CRVB:2006:AY3869
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. Vos
- J.W. Schuttel
- R.C. Stam
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering en vaststelling arbeidsongeschiktheid
Appellant, directeur-grootaandeelhouder, viel in mei 1999 deels uit wegens gezondheidsklachten en vroeg een WAO-uitkering aan. Na medische en arbeidsdeskundige rapporten werd zijn arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 55-65%, waarna hem een uitkering werd toegekend met ingang van 11 mei 2000. Omdat hij in de periode tot augustus 2002 te veel uitkering ontving, vorderde het UWV €8.315,45 terug.
Appellant betwistte de mate van arbeidsongeschiktheid en stelde dat hij eerder een definitieve uitkering van 80-100% had ontvangen, waardoor de verlaging met terugwerkende kracht onrechtmatig zou zijn. Ook voerde hij aan dat er een dringende reden was om terugvordering te voorkomen.
De Raad oordeelde dat er geen eerdere definitieve vaststelling van de uitkering was dan bij de besluiten van 7 augustus 2002 en dat de verlaging met terugwerkende kracht niet gerechtvaardigd was. De terugvordering was terecht omdat sprake was van onverschuldigde betaling. Het beroep op een dringende reden faalde omdat appellant geen onaanvaardbare gevolgen aannam.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de terugvordering gehandhaafd. De Raad zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering en de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 55-65%.