ECLI:NL:CRVB:2006:AY3903

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-7125 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:6 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering herziening blijvende gehele weigering WW-uitkering

Appellant heeft verzocht om herziening van het besluit van het UWV van 26 oktober 2004, waarbij zijn WW-uitkering met ingang van 10 september 2004 blijvend geheel werd geweigerd. Dit verzoek werd door het UWV afgewezen omdat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond.

In hoger beroep stelt appellant dat hij voorafgaand aan het besluit niet is gehoord en dat de weigering gebaseerd is op onbetrouwbare informatie van zijn werkgever. De Raad overweegt echter dat het oorspronkelijke besluit onherroepelijk is geworden en dat een verzoek tot herziening alleen kan slagen indien nieuwe feiten of veranderde omstandigheden worden aangevoerd.

De Raad stelt vast dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft genoemd en dat zijn bezwaren betrekking hebben op de totstandkoming van het oorspronkelijke besluit, wat geen grond is voor herziening. Het UWV was bevoegd het verzoek af te wijzen op grond van artikel 4:6 Awb Pro. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

05/7125 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 17 november 2005, 05/2284 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 5 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.G. Matze, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.J.E. de Jong, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft het Uwv de WW-uitkering van appellant met ingang van 10 september 2004 blijvend geheel geweigerd. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 3 februari 2005, wegens termijnoverschrijding, niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het hiertegen ingediende beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben partijen geen hoger beroep ingesteld.
1.2. Bij brief van 28 februari 2005 heeft appellant verzocht het besluit van 26 oktober 2004 te herzien. Bij besluit van 21 maart 2005 heeft het Uwv dit geweigerd, omdat appellant geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft vermeld. Dit besluit is, na bezwaar, gehandhaafd bij het bestreden besluit van 21 juni 2005.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant stelt in hoger beroep dat herziening van het besluit van 26 oktober 2004 gerechtvaardigd is. Hij voert daartoe aan dat hij voorafgaand aan dat besluit niet is gehoord en de blijvend gehele weigering van de WW-uitkering daarmee ten onrechte slechts gebaseerd is op informatie van een slechte en onbetrouwbare werkgever. Dat de werkgever zich niet heeft gedragen als een goed werkgever blijkt volgens appellant uit de weigering van deze werkgever een getuigschrift te verstrekken.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. Het besluit van 26 oktober 2004, waarvan appellant het Uwv heeft verzocht terug te komen, is in rechte onaantastbaar geworden.
4.2. In artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van Pro de Awb de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
4.3. De Raad is met het Uwv en de rechtbank van oordeel dat appellant geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb heeft vermeld. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft naar het oordeel van de Raad betrekking op de in de ogen van appellant aanwezige gebreken in (de totstandkoming van) het besluit van 26 oktober 2004. De rechtbank heeft hieromtrent terecht overwogen dat de eventuele (kennelijke) onjuistheid van het oorspronkelijke besluit op zich zelf geen beslissende rol meer speelt bij de beoordeling van een verzoek om terug te komen van dat besluit.
5. Het Uwv was dan ook bevoegd om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met een verwijzing naar het besluit van 26 oktober 2004. De Raad ziet geen grond om te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.
6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
7. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 juli 2006.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) L. Karssenberg.
BvW
306