ECLI:NL:CRVB:2006:AY4328

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06-3194 AKW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • R.C. Schoemaker
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:86 AwbArt. 18 Beroepswet
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang kinderbijslag

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem waarin werd bepaald dat hij geen recht meer heeft op kinderbijslag over het eerste en derde kwartaal van 2004 omdat hij geen ingezetene is. Tegelijkertijd verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening om de kinderbijslagbedragen te ontvangen voor het levensonderhoud van zijn kinderen.

Tijdens de zitting gaf verzoeker inzicht in zijn vaste maandelijkse inkomsten en lasten. De voorzieningenrechter concludeerde dat onvoldoende is gebleken van een spoedeisend belang voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Tevens werd benadrukt dat een voorlopige voorziening niet bedoeld is om de behandeling van de hoofdzaak te versnellen.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De voorzieningenrechter zag geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door R.C. Schoemaker op 6 juli 2006.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

06/3194 AKW-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
[verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 maart 2006, 05/2423 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank, (hierna: Svb)
Datum uitspraak: 6 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juli 2006.
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De Svb heeft aan verzoeker meegedeeld dat hij over het eerste kwartaal van 2004 en over het derde kwartaal van 2004 geen recht meer heeft op kinderbijslag omdat hij geen ingezetene is.
Verzoeker heeft met betrekking tot het spoedeisend belang met name aangevoerd dat hij de kinderbijslagbedragen voor het levensonderhoud van zijn kinderen nodig heeft.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
Ter zitting van de Raad heeft verzoeker desgevraagd opening van zaken gegeven met betrekking tot zijn vaste maandelijkse inkomsten alsmede de daartegenover staande vaste lasten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit het verhandelde ter zitting, in samenhang bezien met de in geding gebrachte stukken, onvoldoende is gebleken van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening.
De voorzieningenrechter overweegt voorts dat de mogelijkheid om hangende hoger beroep een verzoek om voorlopige voorziening te doen niet bedoeld is om door middel van de zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaand aan de uitspraak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.
Uit het voorgaande volgt dat de gevraagde voorziening niet voor toewijzing in aanmerking komt.
De voorzieningenrechter ziet tenslotte geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2006.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) R.E. Lysen.
GG180706