ECLI:NL:CRVB:2006:AY4924

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-2821 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging korting op WAO-uitkering wegens winst inclusief huurinkomsten

Appellant, een zelfstandig tandtechnicus met een WAO-uitkering, maakte bezwaar tegen de korting op zijn uitkering over 2000. Hij betoogde dat de huurinkomsten uit verhuur van bedrijfsruimte niet als winst uit arbeid maar als vermogen moesten worden beschouwd en dus niet voor korting in aanmerking kwamen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad verwijst naar vaste rechtspraak dat de fiscale keuze van de zelfstandige bepalend is voor de korting op arbeidsinkomsten. Omdat appellant de huurinkomsten als ondernemingswinst had opgegeven en de bedrijfsruimte deel uitmaakt van het bedrijfsvermogen waarop is afgeschreven, is er geen aanleiding af te wijken van deze hoofdregel.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat verschillende fiscale keuzes leiden tot onvergelijkbare gevallen. De Raad zag ook geen reden voor een proceskostenveroordeling. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Breda wordt bevestigd.

Uitkomst: De korting op de WAO-uitkering wegens winst inclusief huurinkomsten uit bedrijfsruimte wordt bevestigd.

Uitspraak

04/2821 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 april 2004, 03/1198 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 14 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door
mr. R.J.M. van den Broek, arbeidsjurist bij De Unie te Sittard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. D. Heijnen.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 20 mei 2003 waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn besluit van 5 september 2002 tot de verlaging van de betaling over 2000 van de aan appellant toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) in verband met de door hem over dat jaar genoten winst.
Voor een uitvoeriger weergave van de feiten verwijst de Raad naar de door hem onderschreven en door partijen niet bestreden vaststelling van die feiten in de aangevallen uitspraak. Samengevat komen deze er op neer dat appellant vanaf 1992 werkzaam is als zelfstandig tandtechnicus en daarnaast een WAO-uitkering ontvangt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellant zijn beroepsgrond herhaald, er toe strekkende dat de fiscale winst over 2000 vóór de korting moet worden geschoond van de daarin begrepen huurinkomsten uit de verhuur van bedrijfsruimte, omdat dit opbrengsten uit vermogen en dus geen voor korting vatbare inkomsten uit arbeid als bedoeld in artikel 44 in Pro de WAO zou betreffen.
Met de rechtbank ziet de Raad deze beroepsgrond niet slagen. Volgens vaste rechtspraak wordt voor de hier van belang zijnde korting van arbeidsinkomsten als hoofdregel aangesloten bij de eigen fiscale keuze van de zelfstandige. Appellant heeft aangevoerd dat personen die (overigens) in gelijke omstandigheden verkeren, maar een andere fiscale keuze hebben gemaakt hun inkomsten uit verhuur van bedrijfsruimte niet zien worden gekort en dat dat een schending van het gelijkheidsbeginsel oplevert. In die rechtspraak ligt evenwel besloten dat een andere fiscale keuze tot onvergelijkbare gevallen leidt, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt.
Appellant heeft de huurinkomsten als ondernemingswinst opgegeven. De door hem verhuurde bedrijfsruimte maakt deel uit van het bedrijfsvermogen en op die investeringen is gedurende een reeks van jaren in de winst- en verliesrekening afgeschreven. Een bijzondere situatie die noopt tot afwijking van de hoofdregel, doet zich onder deze omstandigheden niet voor.
De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.P. Mulder.