ECLI:NL:CRVB:2006:AY4935

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-3075 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) art. 44
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep wegens verplichte bezwaarschriftprocedure bij WAO-korting

Appellant stelde hoger beroep in tegen een besluit van het UWV waarbij de WAO-uitkering werd gekort vanwege genoten arbeidsinkomsten en onverschuldigde betalingen werden teruggevorderd. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep ongegrond. De Centrale Raad van Beroep overweegt dat het besluit niet via bezwaar is aangevochten, wat volgens artikel 7:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht verplicht is.

Daarom had de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk moeten verklaren en het beroepschrift als bezwaarschrift moeten doorsturen naar het UWV. De Raad gaat ervan uit dat het UWV het bezwaarschrift nu zal behandelen. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Verder veroordeelt de Raad het UWV tot betaling van proceskosten aan appellant en tot vergoeding van het betaalde griffierecht. Het hoger beroep is daarmee niet inhoudelijk behandeld vanwege de niet-ontvankelijkheid.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een voorafgaande bezwaarschriftprocedure.

Uitspraak

04/3075 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 7 mei 2004, 03/1437 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 14 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2006. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.T. ’t Jong.
II. OVERWEGINGEN
Het inleidende beroep richt zich tegen het besluit van het Uwv van 22 mei 2003 waarbij, voor zover van belang, het Uwv de betaling van de aan appellant toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschikt- heidsverzekering (WAO) over het tijdvak van 1 juni 1993 tot 3 juni 1996 onder toepassing van artikel 44 van Pro de WAO wegens de door appellant genoten arbeidsinkomsten op nihil heeft gesteld en de over het tijdvak van 28 oktober 1992 tot 1 maart 1996 betaalde WAO-uitkering tot de helft als door toedoen van appellant onverschuldigd betaald, heeft teruggevorderd.
Het hiertegen ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
Ambtshalve overweegt de Raad dat het in beroep door appellant aangevochten besluit niet in bezwaar of administratief beroep is genomen. Uit artikel 7:1 van Pro de Algemene wet bestuursrecht vloeit voort dat, anders dan door het Uwv is aangegeven, tegen dat besluit bezwaar en geen beroep openstond, zodat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk had moeten verklaren. De rechtbank had het beroepschrift van 27 juni 2003 ter behandeling als bezwaarschrift moeten doorsturen naar het Uwv. Waar het Uwv inmiddels over dat beroepschrift beschikt, gaat de Raad er van uit dat het Uwv thans tot de behandeling hiervan als bezwaarschrift overgaat.
Het Uwv zal in de kosten worden veroordeeld, aan de zijde van appellant wegens de aan hem verleende rechtsbijstand begroot op € 644,- voor het geding in eerste aanleg en € 322,- voor het geding in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep niet-ontvankelijk;
Veroordeelt de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot de betaling van een bedrag van € 966,- aan proceskosten, te voldoen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het door hem betaalde griffierecht in eerste aanleg en in hoger beroep, totaal € 133,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van de Vos als voorzitter en J.W. Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.P. Mulder.