ECLI:NL:CRVB:2006:AY4947

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3093 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.C. van Sloten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Maatregelenbesluit Abw, Ioaw, IoazArt. 5 Maatregelenbesluit Abw, Ioaw, IoazArt. 14 lid 1 AbwArt. 14 lid 4 Abw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging korting bijstandsuitkering wegens niet verschijnen op training

Appellante kreeg een maatregel opgelegd van 10% verlaging van haar bijstandsuitkering gedurende één maand omdat zij niet of niet tijdig was verschenen op een training van de begeleidingsinstantie Win-Win. Ondanks haar stelling dat zij ziek was en daardoor niet kon verschijnen, oordeelde de Raad dat zij zich correct had moeten afmelden. De ziekte was onvoldoende onderbouwd om van overmacht te spreken.

De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat de gedraging van appellante valt onder artikel 3, aanhef en onder 3, sub b, van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw, Ioaz. De standaardmaatregel is een korting van 20%, maar het College had een mildere maatregel van 10% toegepast, wat niet onredelijk werd bevonden.

Er waren geen dringende redenen om van de maatregel af te zien. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde het besluit van het College en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De korting van 10% op de bijstandsuitkering wegens niet verschijnen op de training wordt bevestigd.

Uitspraak

05/3093 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] , wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 5 april 2005, 04/3968 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 4 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.K. Bhadai, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek is ter behandeling aan de orde gesteld op 20 juni 2006, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 20 november 2003 heeft het College aan appellante met ingang van 1 december 2003 een maatregel opgelegd van 10% verlaging van de bijstand gedurende een maand op de grond dat appellante niet of niet tijdig heeft voldaan aan een oproep van de begeleidingsinstantie Win-Win om te verschijnen op de training “Oriëntatie op het werk”.
Bij besluit van 10 augustus 2004 heeft gedaagde het tegen het besluit van 20 november 2003 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 10 augustus 2004 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Appellante betwist niet dat zij van de negen trainingsbijeenkomsten driemaal met bericht en driemaal zonder bericht van verhindering niet is verschenen. Appellante stelt evenwel dat sprake is van een overmachtsituatie, omdat zij ziek was in de periode dat zij bij de training moest verschijnen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de ziekte van appellante, waarvan de ernst uit de stukken onvoldoende blijkt, haar niet ontslaat van haar plicht om zich altijd op correcte wijze voorafgaand aan de training bij de begeleidingsinstantie af te melden. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat hiermee sprake is van een gedraging als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder 3, sub b, van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw, Ioaz (hierna: Maatregelenbesluit). De Raad ziet in de gedingstukken geen grond om aan te nemen dat deze gedraging appellante niet zou kunnen worden verweten. Hieruit vloeit voort dat appellante op grond van artikel 14, eerste lid, van de Abw gehouden was een maatregel op te leggen. Ingevolge artikel 5 van Pro het Maatregelenbesluit geldt voor de hier aan de orde zijnde gedraging een standaardmaatregel van 20% verlaging gedurende één maand. Niet is gebleken dat de omstandigheden van appellante of de mate van verwijtbaarheid aanleiding hadden moeten geven hier van af te wijken. Met de door het College toegepaste verlaging van 10% gedurende één maand is appellante dan ook niet tekort gedaan.
In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet bevoegd was van het opleggen van een maatregel af te zien.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) M. Pijper.