ECLI:NL:CRVB:2006:AY4959

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
05-3095 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.C. van Sloten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens niet-aangetekende verzending

Appellante maakte bezwaar tegen besluiten van het College waarin een boete werd opgelegd en het recht op bijstand werd ingetrokken. Het College verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat het bezwaar te laat was ingediend. De rechtbank bevestigde dit oordeel, stellende dat het bezwaar per fax te laat was ontvangen en appellante niet aannemelijk had gemaakt dat de besluiten pas later waren uitgereikt.

In hoger beroep betwistte appellante de verzenddatum van de besluiten, die per niet-aangetekende post waren verzonden. De Raad overwoog dat bij niet-aangetekende verzending het risico van het niet kunnen aantonen van tijdige verzending voor rekening van het bestuursorgaan komt. Het College slaagde er niet in dit aan te tonen.

De Raad stelde vast dat de besluiten pas op 19 september 2003 aan appellante waren uitgereikt, wat geldt als bekendmaking. Het bezwaar van 28 oktober 2003 was daardoor tijdig ingediend. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vernietigd en het College opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit dat het bezwaar niet-ontvankelijk was, wordt vernietigd.

Uitspraak

05/3095 NABW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] , wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 11 april 2005, 04/595 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente ’s-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 4 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.K. Bhadai, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek is ter behandeling aan de orde gesteld op 20 juni 2006, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
Bij besluit van 2 december 2002 heeft het College het recht op bijstand van appellante over de periode van 1 augustus 2000 tot en met 31 januari 2002 ingetrokken en de over voornoemde periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van
€ 16.786,12 van appellante teruggevorderd.
Bij besluit van 16 december 2002 heeft het College aan appellante een boete van € 1.705,-- opgelegd.
Bij afzonderlijke faxbrieven van 28 oktober 2003 heeft appellante, nader aangevuld bij faxbrieven van 1 december 2003, bezwaar gemaakt tegen voornoemde besluiten.
Bij besluit van 24 december 2003 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van 2 december 2002 en 16 december 2002 niet-ontvankelijk verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 24 december 2004 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat het per fax op 28 oktober 2003 ingekomen bezwaarschrift buiten de in de artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgenomen termijn voor het instellen van beroep is ingediend. Appellante heeft niet aangetoond noch aannemelijk gemaakt dat de besluiten eerst op 19 december 2003 door de bijstandsambtenaar aan haar zijn uitgereikt. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er geen aanleiding om de niet-ontvankelijkverklaring met toepassing van artikel 6:11 van Pro de Awb achterwege te laten op de grond dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Op grond van artikel 6:7 van Pro de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorge-schreven wijze is bekend gemaakt. De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb, door toezending of uitreiking.
In het onderhavige geval heeft de verzending van de besluiten van 2 december 2002 en 16 december 2002 per niet-aangetekende post plaatsgevonden. Namens appellante is de verzending op die data betwist. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad komt bij niet-aangetekende verzending of verzending zonder bevestiging van ontvangst het risico van het niet kunnen aantonen dat het besluit daadwerkelijk op de betreffende dag is verzonden voor rekening van de afzender. Daarbij wordt niet uitgesloten dat langs een andere weg wordt aangetoond dat aan de wettelijke voorwaarden voor het aanvangen van de termijn is voldaan.
De Raad is van oordeel dat het College daarin niet is geslaagd. Het enkele feit dat blijkens een verslag van een met appellante op 7 april 2003 gehouden onderhoud met haar is gesproken over de hoogte van een aflossingsbedrag is onvoldoende om aan te nemen dat de beide genoemde besluiten op de door het College gestelde data zijn verzonden.
De Raad stelt vast dat voornoemde besluiten op 19 september 2003 door een bijstands-ambtenaar aan appellante zijn uitgereikt. De Raad merkt deze uitreiking aan als een bekendmaking in de zin van artikel 3:41, eerste lid, van de Awb. Appellante heeft bij afzonderlijke faxbrieven van 28 oktober 2003 bezwaar gemaakt. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is tegen voornoemde besluiten tijdig bezwaar gemaakt.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep doel treft. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep tegen het besluit van 24 december 2003 moet worden gegrond verklaard. Het College dient vervolgens een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 24 december 2003;
Bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 966,--, te betalen door de gemeente ‘s-Gravenhage;
Bepaalt dat de gemeente ‘s-Gravenhage aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal
€ 134,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) M. Pijper.