ECLI:NL:CRVB:2006:AY5004

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-298 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J. Janssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onderschatting medische beperkingen niet aannemelijk

Appellante stelde in hoger beroep dat het UWV haar medische beperkingen had onderschat en dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig was uitgevoerd, omdat het slechts bestond uit een kort gesprek met de verzekeringsarts waarbij niet alle beperkingen aan de orde zouden zijn gekomen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek door verzekeringsarts A.L. Mathoera zorgvuldig was uitgevoerd, met een onderzoek van een uur en aanvullende informatie van de bedrijfsarts. De bezwaarverzekeringsarts heeft de medische rapporten, waaronder die van de neuroloog en fysiotherapeut, betrokken in zijn oordeel en vond geen aanwijzingen dat de beperkingen van appellante waren onderschat.

De Raad zag geen nieuwe medische informatie in hoger beroep en vond de motivering van het UWV voldoende om de urenbeperking te verwerpen. Er was geen grond om het bestreden besluit te vernietigen, zodat de weigering van de WAO-uitkering werd bevestigd.

De uitspraak werd gedaan door J. Janssen en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2006.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering omdat de medische beperkingen niet zijn onderschat.

Uitspraak

04/298 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 5 december 2003, 03/132 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. Y. de Froe, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand te Leusden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2006. Appellant is, zoals tevoren was bericht, niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. P.C.M. Huijzer.
II. OVERWEGINGEN
In dit geding is aan de orde of het Uwv bij besluit van 14 april 2003 (hierna: bestreden besluit) terecht het besluit van 11 juli 2002 heeft gehandhaafd waarbij is geweigerd appellante na het vervullen van de wachttijd met ingang van 14 januari 2002 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).
Aan het bestreden besluit ligt het standpunt ten grondslag dat appellante met inachtneming van de voor haar geldende beperkingen in staat is te achten tot het verrichten van haar eigen werk van lerares in volle omvang.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak als haar oordeel te kennen gegeven dat en op welke gronden het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat sprake is van een onzorgvuldige medische voorbereiding nu het onderzoek slechts heeft bestaan uit een kort gesprek met de verzekeringsarts en in dit gesprek niet alle beperkingen aan de orde zijn geweest. Voorts is aangevoerd dat de medische beperkingen van appellante door het Uwv zijn onderschat.
De Raad oordeelt als volgt.
De Raad is van oordeel dat de gedingstukken geen grondslag bieden voor het standpunt van appellante dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvolledig of anderszins ondeugdelijk is geweest.
De Raad overweegt hiertoe dat appellante door de verzekeringsarts A.L. Mathoera is onderzocht en dit onderzoek blijkens diens rapportage van 20 februari 2002 één uur in beslag heeft genomen. Op basis van de bevindingen van dit onderzoek en de van de bedrijfsarts verkregen informatie zijn door de verzekeringsarts diverse lichamelijke beperkingen aangenomen. De bezwaarverzekeringsarts G.J. van de Meent heeft de van de zijde van appellante overgelegde brief van de neuroloog
dr. E.A.C.M. Sanders van 11 september 2002 in zijn oordeelsvorming betrokken en heeft zich met de conclusies van Mathoera kunnen verenigen. Aan de Raad is aldus niet gebleken van aanknopingspunten voor het oordeel dat de (bezwaar)verzekeringsarts over ontoereikende gegevens voor een verantwoorde oordeelsvorming heeft beschikt.
De Raad overweegt vervolgens dat hij, wat betreft de voor appellante op de datum in geding geldende medische beperkingen, geen reden heeft gezien te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen en conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, als neergelegd in hun rapportages van respectievelijk 20 februari 2002 en 17 maart 2003, noch aan de beperkingen zoals deze zijn weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom een urenbeperking niet medisch geïndiceerd is. Noch in de informatie van neuroloog Sanders van 11 september 2002, noch in de in beroep overgelegde brief van de fysiotherapeut
G. Hamel van 3 april 2003, heeft de Raad objectief medische aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat het Uwv de (duur)belastbaarheid van appellante ten tijde in geding heeft overschat. Voorts is in hoger beroep van de zijde van appellante geen nieuwe medische informatie naar voren gebracht.
Gezien het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet en komt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) N.E. Nijdam.