ECLI:NL:CRVB:2006:AY5006

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 juli 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
04-4032 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:69 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen mededeling terugvordering WAO-uitkering

De zaak betreft een hoger beroep van het UWV tegen een uitspraak van de rechtbank Utrecht waarin het bezwaar tegen een brief over terugvordering van een WAO-uitkering niet-ontvankelijk werd verklaard. Betrokkenen waren op 16 september 2003 geïnformeerd dat na het overlijden van de betrokkene diens WAO-uitkering onverschuldigd was doorbetaald en teruggevorderd zou worden. Tegen deze brief maakten betrokkenen bezwaar.

Het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was. De rechtbank bevestigde dit, maar veroordeelde het UWV tot vergoeding van het griffierecht omdat betrokkenen door het handelen van het UWV genoodzaakt waren beroep in te stellen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV in de beslissing op bezwaar voldoende duidelijk heeft gemaakt dat de brief geen bestuursrechtelijk besluit was, maar een mededeling over een civielrechtelijke terugvordering. De rechtbank heeft ten onrechte het UWV veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht. Het verzoek om schadevergoeding valt buiten het geschil en blijft onbesproken. De uitspraak wordt vernietigd voor zover het UWV tot vergoeding van het griffierecht is veroordeeld.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de veroordeling van het UWV tot vergoeding van het griffierecht wegens niet-bestuursrechtelijk karakter van de brief.

Uitspraak

04/4032 WAO (Rectificatie)
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 juni 2004, 04/482 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de erven van [de heer D.], laatstelijk gewoond hebbend te Amersfoort (hierna: betrokkenen),
Datum uitspraak: 25 juli 2006
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkenen heeft J.G. Ruiter, werkzaam bij Belasting Adviesbureau Soest, een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2006. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman. Voor betrokkenen zijn verschenen [de heer A.] en hun gemachtigde J.G. Ruiter.
II. OVERWEGINGEN
Bij brief van 16 september 2003 zijn betrokkenen op de hoogte gesteld van het feit dat na het overlijden van [de heer D.], diens uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) onverschuldigd is doorbetaald en dat deze uitkering zal worden teruggevorderd. Onderaan deze brief is de bezwaarclausule vermeld.
Betrokkenen hebben tegen de brief van 16 september 2003 bezwaar gemaakt en appellant heeft dit bezwaar bij beslissing op bezwaar van 19 januari 2004 niet-ontvankelijk verklaard aangezien deze brief geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak geoordeeld dat appellant terecht het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant in de beslissing op bezwaar uiteengezet heeft dat het niet gaat om een besluit in de zin van de Awb maar om een mededeling over een terugvordering waarop het burgerlijk recht van toepassing is. De rechtbank heeft appellant wel veroordeeld tot het vergoeden van griffierecht omdat door zijn toedoen een situatie is ontstaan waarin betrokkenen zich genoodzaakt zagen beroep in te stellen.
In het licht van artikel 8:69 van Pro de Awb is het geschil in hoger beroep beperkt tot de vraag of de rechtbank terecht appellant heeft veroordeeld tot het vergoeden van het door betrokkenen betaalde griffierecht van € 31,-.
De Raad is van oordeel dat appellant in de beslissing op bezwaar van 19 januari 2004 op adequate wijze de ontstane onduidelijkheid over het rechtskarakter van de brief van 16 september 2003 heeft hersteld. De Raad deelt echter niet de opvatting van de rechtbank dat met de beslissing op bezwaar nog steeds sprake was van een situatie waarin betrokkenen konden menen dat hun bezwaren tegen de terugvordering in een bestuursrechtelijke procedure aan de orde konden komen. Ten onrechte heeft de rechtbank dan ook besloten tot een veroordeling van appellant tot vergoeding van het door betrokkenen in beroep betaalde griffierecht.
Met betrekking tot het door betrokkenen gedane verzoek om schadevergoeding oordeelt de Raad dat dit buiten de omvang van het geschil valt en om die reden onbesproken kan blijven.
De aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het Uwv is opgedragen aan betrokkenen het griffierecht te vergoeden, dient te worden vernietigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover daarbij het Uwv is opgedragen aan betrokkenen het griffierecht te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 juli 2006.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) T.S.G. Staal.
MH